is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu moest nog de geul gevonden worden, welke het passeeren mogelijk maakt van de ondiepte, die de monding voor diepgaande schepen afsluit. Hiervoor geen slechts enkele schetsopnemingen eenig uitsluitsel, evenals voor het opvaren; echter waren ze oud en verschillend en door de ongebreideldheid dezer groote rivier, weinig betrouwbaar. De ervaring van gezagvoerder Van Oorschot en zijne officieren in rivier-navigatie kwam echter ten slotte ook deze moeilijkheden te boven.

Gedurende de opvaart kwamen wij verscheidene dorpen voorbij. De noodige voorzorgen tegen overvallen of bepijlingen werden natuurlijk genomen, maar deze bleven uit. Onzerzijds werd aanraking met de bevolking gezocht, maar de eerste beantwoording bestond slechts uit heftig geschreeuw en gebaar, het bekende werpen met kalk en vlucht in het bosch. Kalmte en rustigheid, ook tijdens het ten ankerliggen, deed ons ten slotte vertrouwen wekken en een levendige ruilhandel ontstond, waarbij vooral de steenen wapens, gemaakt uit een soort andesiet, dat niet bekend is uit het stroomgebied van den Lorentz, de aandacht der geologen trokken.

De bevolking is groot en stevig van stuk; de mannen gespierd en tot zes voet lang, uitnemende roeiers in hun 20 a 30 cm breede kano's, waarin zij staande de pagaai hanteeren. Zij zijn aanvankelijk zeer vreesachtig, maar als zij hun vrees hebben verloren, brutaal en aanmatigend ; dan kunnen zij gevaarlijk worden.

Het geheele stroomgebied tot aan den voet der eerste heuvels is moerassig, behoudens hier en daar enkele gedeelten, en geheel begroeid. Uit den aard der zaak is deze vlakte dus schaars bevolkt.

Reeds den eersten dag van opvaart zagen wij een vrij goed panorama van het gebergte boven de groene boomenzee uitsteken, waarbij vooral de Wilhelmina-top (4750 m) en de Rumphiusnaald (4070) de aandacht trokken. Ons trof de weinige sneeuw, welke op den eerste lag; de naam Sneeuwgebergte had ons meer doen verwachten.

Den i2den April liet de Kampar het anker vallen tusschen Fajuseiland en den mond der Dumasrivier. Hier werd het eerste bivak opgeslagen; daarbij zou de Kampar in de vervolge ankeren, als het schip aan het einde van een opvoerreis was. Verder moest dit eerst met prauwen gesleept door de motorboot, en vervolgens pagaaiende geschieden, totdat ook de prauwvaart gestaakt zou moeten worden. Al dadelijk werd dus begonnen met — voorzoover noodig—den Kampar te ontladen. Modder, vliegen, muskieten, aga's (kleine steekvliegen, waartegen geen klamboe geheel beschermt) maakten het bivak niet bepaald tot een lustoord. En 's avonds vlogen er reeds dadelijk een tiental pijlen doorheen, als bewijs dat wij niet welkom waren ook. Iets later is er bezuiden, ongeveer 3 km van de monding der Dumasrivier, een politie-post gevestigd, die mede een aantal vreedzame Papoea's bevatte. Het doel was er een blijvende vestiging te stichten. Klapperboomen werden er geplant en een groentetuin aangelegd. De Papoea's konden er echter niet aarden en met reden. In Juli 1937 is deze veldpolitie-nederzetting totaal weggevaagd door den bandjirenden Lo-