is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waterscheiding te zijn overgetrokken, werd de Van der Sande-rivier bereikt. In de gaten kon worden nagegaan, dat tusschen de blauwe kleisteen en de er boven liggende kleilagen een sterk watervoerende laag voorkomt, welke den bovengrond ondermijnt en losspoelt.

De Van der Sande-rivier was ter plaatse nog geen 30 m breed en kon wadend worden overgetrokken, maar modderstrepen op de boomen deden zien, dat er waterstanden van minstens 5.5 m hooger voorkomen. Bij een putten-onderzoek op 25 m binnen den rechteroever bleek een 1,5 m dikke gele kleilaag direct op de oostelijk steil wegduikende blauwgrijze kleisteen te liggen. Dichter bij de rivier werd deze kleisteen niet bereikt, maar lag onder de gele klei een dikke laag van onregelmatige rolsteenen, gemengd met fijn zanderig materiaal. In het waschconcentraat van een aczer putten werd één spikkel goud gevonden van een grootte als die verkregen uit de rolsteenenbank bij Kloofbivak I.

Den 28sten Juni werd bij een vóórverkenning van den doorsteek naar de Noordoostrivier door sergeant Buttner een kalksteenrug gevonden, waarlangs in één dag die rivier kon worden bereikt. Van den kam van dien rug werden den volgenden dag ruime vergezichten genoten. In het Zuiden tot de zee toe over de geheele vlakte, waardoor heen een veel langere heuvelrug loopt dan die waarop wij ons bevonden, vermoedelijk de rug op het einde waarvan Schultzbivak was gelegen. In het Westen reikte het zicht, over de N.-Z. waterscheidingen heen «tot het stroomgebied van de Pater le Cocq d'Armandville-rivier. Naar het Noorden, op het hoogste punt van den kam, dat Belvedère is gedoopt, hadden wij een vrij goed uitzicht op het gebergte en op twee bochten der Noordoostrivier, die als breede zilveren linten in het donkere groen lagen. Van Belvedère werd gepeild: de beide toppen van den Drommedaris N 20 en 180 O.; een top van het Nevelgebergte N 150 O.; een kloof N 120 O., welke later bleek die van de Noordoostrivier te zijn, ter plaatse waar ze zich van ZO. naar ZW. en W. ombuigt. Voorts een paar toppen in de richtingen N 335 en 350° O. en in de richting N 350° O. een kloof bewesten het Nevelgebergte.

Van Belvedère buigt de kam, waarop wij ons bevonden, met een duidelijken knik naar NNW. en bezit een steilen wand in het Z. tot WZW.

Van dit hoogste punt daalden wij naar de rivier af; eerst geleidelijk, daarna springend en glijdend, diepe scheuren en gaten ontwijkend; vervolgens langs ruw gemaakte ladders en tenslotte over een circa 100 m breede strook van de ons reeds bekende schuifklei. Aan den zandigen oever werd Noordoostbivak I opgericht.

Den 29sten Juni werd besteed aan plaatselijk rolsteen- en bodemonderzoek, dat vrijwel gelijke resultaten gaf als aan de Lorentzrivier. Het landschap was eenigszins anders dan langs die rivier. De oevers waren droger, het terrein zandiger, het rivierwater helderder. Humus was vrijwel afwezig, waaruit mede werd afgeleid dat veel overstroomingen voorkomen. Bij graafwerk werd reeds op 0.5 a 1 m gestuit op rolsteenbanken.