is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voralpen", „Wallis" en „Tessin" heeft Früh nog methode en werkwijze vastgesteld, waarbij het natuurlijke landschap als grondslag van het bereikte type van grondgebruik en vestiging van den mensch (blz. 586) is aangenomen. Niet dus het „canton", maar het landschap vormt het uitgangspunt voor de beschrijving, zoodat bij Wallis ook het Waadtlandsche deel van de Rhöne-vallei is gerekend; terwijl de landschappen van den Bündner Rijn als geheel zijn beschouwd. Dit is geografisch zuiver gedacht. De Romaansche Vooralpen en Wallis zijn vervolgens door P. Vosseler bewerkt; Tessin door G. Rüetschi.

De beschrijving begint voor alle geografische eenheden: grootere landschappen, „Talschaften" of plaatsen, met een kenschetsing van hun geologische ligging. Aangezien de geologische bouw ingewikkeld is, zal men dit op prijs stellen. Vervolgens worden de morfologische vormen genoemd, die voor het bewonings- en grondgebruiktype van belang zijn, zooals terrassen, puinkegels, bergstortingen enz. (bv. de puinhellingen in het Bergell). Daarop volgt een schets van de verkeersgeografie en van die economische of geschiedkundige gebeurtenissen, welke zich in het landschapsbeeld afteekenen. Daarbij is niet slechts beschrijvend te werk gegaan, of — waarop gevaar bestaat bij een dergelijk, tevens een nationaal doel dienend boek — verheerlijkend; waar het noodig is, wordt ook op verouderde of ondoelmatige wijzen van grondgebruik gewezen. Zoo wordt bv. op blz. 543 het „Tschifferlirecht gelaakt, waaronder het recht wordt verstaan, om mest van de alpenweiden naar het dal te brengen. Früh gebruikt in die gevallen uit het hart gekomen woorden, hem door gevoelens van verantwoordelijkheid en vaderlandsliefde ingegeven, bv. wanneer hij de bewoners van zekere gebieden vermaant hun van ouder tot ouder overgeërfden grond beter te gebruiken. Deze persoonlijke noten maken de lectuur van dit werk tot een groot genot, geheel afgezien van den rijken inhoud.

Volgens de beginselen, uiteengezet in het algemeen overzicht, gegeven in de hoofdstukken I en II, zijn de landschappen van Graubunden, Tessin en Wallis beschreven. Hier en daar zijn de uitkomsten van nieuwere morfologische studies ingevlochten, zooals de fluviatiele en glaciale geschiedenis van het meer van Lugano volgens Annaheim. Opgemerkt zij, dat uit de studies van G. Orth over het Boven-Engadin en Boven-Tessin meer te putten was, ook voor de landbeschrijving, dan hier is geschied. Voorts dient te worden vastgesteld, dat reeds S. van Valkenburg in 1918 het Zwitsersche nationale park heeft beschreven als voorbeeld van een gebied met volkomen gelijkheid van tophoogte, ten gevolge van een vroeger plaats gehad hebbende vereffening (zie blz. 574 en literatuur).

Het is bijna ondoenlijk belangwekkende details uit den rijken inhoud te noemen. De invloed van het klimaat op grondgebruik en woonwijze wordt door vele voorbeelden aangetoond; gewezen