is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nische vraagstukken, wordt in dit artikel een beschrijving gegeven van de tectoniek van het Karangkobar-gebied op Java, ten zuiden van Pekalongan. Dit gebied behoort tot het alpiene plooiingstype van het Soenda-plooiingsgebied en maakt deel uit van de olietroggen tusschen den vulkanischen binnenboog en het Aziatische Soenda continent. In het Mio-Plioceen vond hier een geosynclinale daling plaats met doorbraak van basische tot intermediaire gesteenten. Aan het einde van het Mioceen werd deze periode tijdelijk onderbroken, waarschijnlijk door zwaartekrachtswerking. („Volltroggleitung van Haarmann"). Na de daling volgde een golvende oprijzing, die begeleid en gevolgd werd door uitbarstingen van intermediaire en zure gesteenten. Deze rijzing tijdens het Plioceen van de Djembangan en undaties veroorzaken reacties van de zwaartekracht (plooiing, verschuiving en overschuiving), (Freigleitung in den zin van Haarmann). Pleistoceene vulkanen op den top der undatie gevormd, stortten in door ver schuivingen en een gedeelte gleed weg, aan den voet plooien veroorzakende. Deze bewegingen gaan nog door en konden worden gemeten (24—40 cm per jaar). De schrijver onderscheidt twee typen van reacties, veroorzaakt door de zwaartekracht op verticale bewegingen, welke hier boven vermeld zijn.

Naar de opvatting van den schrijver vormt Zuid-Californië een hiermede vergelijkbaar gebied, volgens de beschrijvingen van Reed en Hollister. Deze zwaartekrachtswerkingen beinvloeden alleen de bovenste lagen der aardkorst, in de diepte verdwijnen ze. Kr.

Bemmelen, R. W. van. Igneous geology of the Karangbokar region (Central Java) and its significance for the origin of the Malayan potash provinces. Ingenieur in Ned. Indië IV, Jaarg. 4, blz. 115—135, 8 figuren en 11 tabellen. 1937.

In het voorgaande artikel werd de aard van de tectoniek van het besproken gebied behandeld, hier de resultaten van het petrografisch onderzoek van de neogene en kwartaire eruptiefgesteenten en van die van het naburige Diëng-plateau. Hiervoor werden 25 volledige en een aantal gedeeltelijke analyses uitgevoerd door Djokojoewono onder toezicht van ir. Freusberg. Behalve deze 25 zijn nog gegeven de resultaten van 4 gedeeltelijke analyses van de Merawoe-schalies van het gebied, door dr. Willems verricht, 7 volledige analyses door eerstgenoemde, eertijds assistent van dr. Willems en ten slotte 18 van kaligesteenten van het gebied van Maros op Celebes, eveneens door dezen verricht en door Morley, den Haan en Jacob.

In het Karangkobar gebied begon het vulkanisme in het JongMioceen met de vorming van de onderzeesche Penjatan basaltvulkaan. De voedende kanalen (gabbro-diorietisch magma), welke door de Merawoe-schalies zijn gebroken, zijn door erosie blootgelegd.

Het plioceene vulkanisme vormde breccies, lavastroomen en tuflagen in de Bodar-Ligoeng serie. De pijpen tot dit vulkanisme behoorend zijn ook blootgelegd. Van het kwartaire vulkanisme zijn de toevoerkanalen niet te bestudeeren, alleen de uitgeworpen producten

(andesieten en basalt).

Over 't algemeen behooren de eruptiefgesteenten tot de kalk-alka-