is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AARDRIJKSKUNDIG NIEUWS

Een nieuwe verklaring van de Walchersche „vliedbergen". De vele op Walcheren en in andere deelen van Zeeland voorkomende met gras en struikgewas begroeide, 5—!5 m hooge heuveltjes, op Walcheren „werven" geheeten, werden door de meeste onderzoekers beschouwd als door den mensch gemaakte vluchtheuvels, vlucht- of vlie(d)bergen, waarop de naburige bewoners zich bij hooge watervloeden met hun levende have in veiligheid brachten. In'deze hypothese zouden de Walchersche heuvels moeten dagteekenen van vóór de winterbedijkingen van Walcheren,

die men stelt in de 9de eeuw. n

Dr. P. L. Tack wijst er in zijn studie: „De Walchersche werven in het Archief van het Zeeuwsch Genootschap 1938, terecht op, dat hem de vorm der heuvels, een tamelijk steile afgeknotte kegel met een kruin van slechts 10 m doorsnede, voor die bestemming erg ongeschikt voorkomt. Ook de Walchersche boeren achten ze te klein voor dat doel. Indien het werkelijke vluchtheuvels geweest waren, zouden zij telkens maar voor een kort verblijf gediend hebben, en zouden er geen woonvlakken in zijn ontstaan (door Hubregtse in den berg te Duvendijke en door Remouchamps in die te Rittem waargenomen), die immers op een blijvende bewoning wijzen. Ook de ligging van de heuvels, soms op vrij grooten afstand van de kom der gemeente, en toenemend in aantal naar het binnenland toe, is moeilijk met de vluchtbergen-theorie te verklaren. De bekende onderzoeker van de Walchersche vluchtbergen, J. C. de Man, begint zelf aan het einde van zijn onderzoek aan de waarheid der vluchtbergen-theorie te twijfelen. Tijdens het onderzoe had hem wel getroffen, dat er verband bestaat tusschen de bergen eenerzijds en de heerlijkheden, oude wegen en kreken anderzijds; ook dat de heuvels vlak aan de grenzen der ambachten, aan kruispunten van wegen of aan den samenloop van wateren lagen. Hij wijst er op dat de bergen Middelburg als met een gordel omringen, ongeveer zooals men tegenwoordig kazematten en _ kleine forten op eenigen afstand van vestigen bouwt. Dr. Tack sluit hier zijn opvatting over de Walcherschè heuvels bij aan en meent dat het defensiewerken moeten zijn geweest, opgeworpen door de Moormannen ter verdediging van de sleutelposities der ambachten.

Volgens hem vertoonen de Walchersche heuvels namelijk groote overeenkomst met de in de 10de eeuw door de Noormannen opgerichte „mottes" in Normandië en de „moated mounds door hen na The Conquest (1066) in Engeland gebouwd.

De Normandische motte bestond uit een ringvormige gracht rondom een uit den uitgegraven grond opgeworpen heuvel ot mote" met een kruin van 10 m middellijn, waarop een houten toren getimmerd was, met een palissade omheind; daaromheen lag een open terrein met houten loodsen, die tot woning, schuur, maga-