is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had het mannetje echter vertrouwen, want even later kwam hij handjes geven en informeerde naar ijzer en of de patrouille wat te maken hadden met die „oeri oeri", welke telkens over kwam brommen. Verbaasd tokkelde hij op het nationale kleedingstuk. Zijn vrouw kwam ook; zij is een stuk grooter dan haar dwerg-echtgenoot. Gezamenlijk daalden wij verder af; steeds kwamen meer vriendelijk gezinde Papoea's bij de patrouille. Het pad leidt naar de Pandanrivier, in de nabijheid waarvan werd gebivakkeerd.

De kleeding bestaat uit peniskoker en een paar rottanslingers rond de heupen, waaraan een staartlint of boomblad is bevestigd. Allen dragen een lang over den rug afhangend haarnet van vezels, soms met gele vezels doorwerkt. Ter versiering worden varkenstanden door den neus en aan den gordel gedragen. De vrouwen dragen een klein schortje van loshangende bladeren. Schelpjes bezitten ze niet veel; slechts enkele kapmessen werden gezien. Ze gebruiken deze op de zelfde wijze als hun steenen bijlen.

Den 28sten Juli marcheerde de patrouille langs een breed pad tusschen omheinde tuinen, begroeid met ketella, kladi, suikerriet en pisang naar de eerste kampong, welke ligt op een geheel door tuinen ingenomen rug. Er staan een tiental ronde huizen met grasdak op; bij elk huis staan een aantal, in een lijn gebouwde varkenshokken. Deze rug was reeds uit de lucht opgevallen.

De bevolking bracht varkens aan, waarvan er een paar voor een kapmes per stuk werden gekocht. Van Arcken liet de beesten volgens hun gewoonte door een Papoea met een pijl dooden en met bamboemesjes opensnijden. Een varken werd de bevolking aangeboden, maar niet aangenomen. Dit behoort blijkbaar niet, wèl wilde men de ingewanden hebben. Ook het besmeren met bloed gebeurde in dit geval niet. Na den feestmaaltijd werd afgedaald naar de Sahoeweri, een rivier welke zich diep in de rotsen heeft ingesneden. Nadat vervolgens de zuidelijke helling van het ravijn was beklommen, werd op noo m bij de hoogste kampong bivak gemaakt. Ook hier werd druk bezoek ontvangen. Alleen aan volwassen mannen waren er wel tachtig.

Den 29sten Juli werd met drie Papoea's langs een veel begaan pad verder de helling beklommen. Na enkele uren stond de patrouille op de waterscheiding; het pad daalt van daar naar het ravijn van de Tjokkifoeri. De gidsen konden zelfs niet met een kapmes worden overgehaald om verder mee te gaan.

Na een half uurtje het pad verder te hebben gevolgd, werden echter wederom menschen ontmoet, en dank zij de taalkennis in het Sahoeweri-ravijn opgedaan, was snel kennis gemaakt. In den namiddag werden de eerste tuinen gepasseerd en de patrouille wederom van alle kanten begroet. Telkens werd men uitgenoodigd een sigaretje te komen rooken, waarvoor deze Papoea's speciale mooi gelegen plekjes uitkiezen. Een dertigtal huizen werd gepasseerd en er waren er nog heel wat meer te zien.

Het Tjokkifoeri-ravijn is steil en rotsachtig en het bezorgde de patrouille een flinke klauterpartij. In den namiddag werd de rivier be-