is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zien kapitein Teerink van meening was, dat de sterkte der troep verminderd kon worden, werden een aantal militairen en dragers naar het Habbema-meer teruggezonden onder den sergeant Gottschalk, die opdracht kreeg met behulp van een gids zoo mogelijk een korteren weg naar het meer te zoeken en tevens eenig plantenmateriaal te verzamelen, waaruit de algemeene begroeiing kon worden beoordeeld. De beide eerste dagen werd door mosbosch met veel onderhout en weinig groote boomen gemarcheerd, den derden dag was het mos grootendeels verdwenen.

Het was dezen dag nog moeilijker om op te schieten. De patrouille werd beduid, dat in de eigenlijke vallei slechte menschen wonen. Op den middag, tijdens de rust, waren eenige honderdtallen Papoea's aanwezig, vrijwel allen ongewapend. Toen Teerink wilde afmarcheeren, werd aan de patrouille door vijf rijen Papoea's, arm in arm, de weg versperd.

Dit was even een moeilijk oogenblik; men kon niet blijvend aan hun wenschen te gemoet komen. Een gebiedende armbeweging en een booze blik waren echter gelukkig voldoende om hen uiteen te doen stuiven. Onverstoord werd nu dicht opgesloten doorgemarcheerd, maar telkens herhaalden de Papoea's het verzoek niet verder te gaan en in de nabijheid van hun kampong te blijven en te overnachten. Eenige malen werd de weg met takken versperd, totdat ingezien werd dat niets hielp, waarna men zich bepaalde tot roepen en schreeuwen. Na een uur was de patrouille eindelijk de menschen kwijt en daalde in de groote vallei af. Een rivier met dicht beboschte oevers werd overschreden en een groote, met gras begroeide heuvel aan de zuidzijde der vallei bereikt. Aangezien aan den noordkant van dezen heuvel niet voldoende water werd gevonden, werd bij voornoemde rivier bivak IV betrokken op ongeveer 1540 m hoogte.

Aangezien de heuvel zeer geschikt is voor het afwerpen van levensmiddelen, besloot Teerink hier tot 6 Augustus te blijven. Eenige Papoea's uit de groote vallei kwamen in de nabijheid van het bivak, die — in tegenstelling met de eerder ontmoeten — veel angst toonden. Het geschenk van een schelpje deed hun vrees echter eenigszins verminderen ; ook de verzekering dat de patrouille ter plaatse bleef overnachten.

Den volgenden dag werd rustdag gehouden, terwijl de kapitein de omgeving verkende en contact met de bevolking zocht. Deze scheen bevreesd te zijn, dat men in hun kampongs zou komen. Ook thans werd de weg eenige malen met takken versperd. In tegenstelling met vorige dagen, waren hier de meeste mannen met een lange houten speer bewapend, enkelen met pijl en boog. Echter scheen de angst van den vorigen dag blijkbaar verdwenen; een driehonderdtal mannen begeleidde Teerink met zijn escorte. In den namiddag kwamen weder eenige Papoea's naar het bivak, slechts enkele woorden konden worden opgevangen. De menschen zijn uiterlijk niet verschillend van die in de bovendalen; wèl gebruiken zij andere woorden. Slechts enkele konden worden opgevangen. Het Habbema-meer schijnt bij hen Joegoë te heeten. Zij hebben een normale lengte van 1.65 m, kroeshaar soms