is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de fauna dezer lagen als Djetis-fauna afgescheiden van de jongere Trinil-fauna en de oudere Kaliglagah-fauna van het Plioceen. Het resultaat van de bewerking der Cypraeiden door Schilder toonde aan, dat de vormen wel zeer verwant zijn met recente, maar op één na duidelijk verschillen. Met die van de jong-plioceene' lagen vertoonen ze veel minder overeenkomst.

De Kaboeh-lagen zijn deels vulkanische zoetwater-afzettingen, deels mariene kleien en andesietische zandsteenbanken (vulkanische- en zandsteenfacies). Ook in de vulkanische facies der Kaboeh-lagen werden fossiele zoogdierresten aangetroffen, eveneens meestal in fluviatiele afzettingen. Deze moeten, zooals uit het onderzoek blijkt, geparalleliseerd worden met de klassieke Trinil-fauna van het Midden-Pleistoceen.

Op dit kaartblad liggen boven op de Kaboeh-lagen en concordant daarmee een serie tuffen en breccies, de Djombang-lagen. Ze komen voor bezuiden het Kendeng-heuvelland en zijn ontsloten in enkele uit de Brantas-vlakte rijzende lage heuvelruggen. Ze bevatten bazaltcomponenten en niet, zooals de Poetjanganlagen, alleen andesiet. Ze zijn dan ook jonger dan deze laatstgenoemde en worden opgevat als de verste uitloopers van het Andjasmoro-complex. Ze zijn nog meer geplooid en daardoor ouder dan de Ngandong-fauna van het Jong-Pleistoceen, dus vermoedelijk dateeren ze uit het jongere Midden-Pleistoceen.

De vulkaanmantel van het Andjasmoro-gebergte bestaat vooral uit breccies met bazalt en pyroxeenandesiet. Het oude eruptiepunt is ten gevolge van de erosie, niet meer te herkennen. Het vormt nu een sterk geaccidenteerd gebergte, ouder dan de Ardjoeno en de Penanggoengan, die nog een kegelvorm bezitten en die ook na de plooiing zijn ontstaan. De jongere lahar-afzettingen aan weerszijden van het Andjasmoro-gebergte zijn andesietisch. Ze zijn niet mee geplooid en behooren misschien tot het Jong-Pleistoceen of tot het Holoceen. De plooiingsfase behoort, volgens de hier verkregen gegevens, dus ook tot het Jong-Pleistoceen.

Het gebied vertoont een aantal ongeveer O.-W. loopende anticlinalen en synclinalen. Sommige zijn flauw gewelfd, van andere hebben de lagen grootere hellingen. Verschillende breuken zijn bij de gedane geologische en mijnbouwkundige exploraties aangetroffen.

Van nuttige delfstoffen is belangrijk jodium. Verder zijn er zoutwaterbronnen met olieindicaties. Kr.

Benthem Jutting, T. van — Non marine Mollusca from fossil horizons in Java with special reference to the Trinil fauna. Zoölogische Mededeelingen Museum Leiden, deel 20, 1937, p. 83—180, 9 pl., 5 textfig.

Bovengenoemde bijdrage is voor de kennis van de fossiele zoetwater-afzettingen van Java van zeer groot belang, omdat hier de mollusken, welke daaruit verzameld werden in den loop der tijden