is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkennen wat nog niet betreden was en onderzoeken en bestudeeren wat nog onvoldoende was onderzocht. Hier ligt dus nog een zeer uitgebreid en dankbaar terrein voor onze werkzaamheid. Het is in hoofdzaak het Vethfonds, dat dit alles mogelijk maakt en heeft gemaakt en soms zijn groote bedragen daarvoor aan het kapitaal onttrokken, maar steeds zijn die uit de revenuën weer aangevuld ten slotte, zooals een goed beheer past, dat aan degenen die na ons komen geen ledige of geplunderde portefeuille mag nalaten. Het spreekt dan ook van zelve, dat wij verscheidene jaren geen groote onderzoekingen hebben kunnen doen of steunen, hoe wenschelijk die ook zouden zijn geweest, maar wij hebben door een zuinig beheer en daarbij ook het kapitaal op peil houdende, en dankbaar gedenk ik daarbij onzen penningmeester, wijlen H. C. Rehbock, wiens wijs beleid gedurende 32 jaren ons richtsnoer is geweest, dat kunnen doen.

Daar was vertrouwen dat wij, zonder de onmisbare financieele basis te verzwakken ook in de toekomst onze taak zullen kunnen vervullen, plichtsbesef om te doen wat allereerst noodzakelijk was uit een oogpunt van wetenschappelijk, maar ook van nationaal belang en de risico daarvan te aanvaarden! Een van onze vroegere voorzitters heeft bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Genootschap gezegd :

„De erfenis ontvangen uit der vadren handen, verkwiste niet de zoon '. Wij hebben dien zin als onze lijfspreuk behouden en in praktijk gebracht, in werkelijken zoowel als figuurlijken zin! Dat is de weg, die wij nauwgezet volgen !

Wanneer wij de jaarverslagen volgen om te willen weten hoe wij in geestelijken zin het erfdeel hebben benut en bewaard, dan treft het ons hoe het Genootschap zijn werkzaamheden op zoo velerlei onderdeden van de geografie heeft getoond en hoe toch ook alweer ons Oost- en West-Indisch gebied daarin ruim hun deel hebben gehad.

Wanneer ik de jaarverslagen na ga, dan komt in mij op een gevoel van waardeering niet alleen, maar van dankbaarheid als Nederlander, voor wat in die 66 jaren van zijn bestaan door het Genootschap op' zijn terrein is verricht en dat gaat verre uit boven het zuiver wetenschappelijke in zijn nationale beteekenis, en den goeden naam op wetenschappelijk gebied hoog houdende, vooral op dat terrein waarop Nederland zoo bij uitstek thuis is, dat der geografie. Denk aan onze globes, onze kaarten, onze landontdekkingen, onze poolvaarten en zooveel meer stammende uit ouden tijd. En die reputatie hebben wij op waardige wijze voortgezet. Maar ook meer directe practische belangen werden door onderzoekingen en tal van publicaties gediend en wanneer ik een kleine greep doe in dien rijken voorraad waarvan ons archief getuigt, dan zult U het met mij eens zijn, dat het Genootschap naast een wetenschappelijk belang een nationaal belang van da eerste orde vertegenwoordigt.

Ik zal geen jaartallen vermelden en slechts bij uitzondering personen noemen, ze doen er weinig toe, en beginnen met enkele zaken te noemen met zijn steun verricht.