is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kosten meebrengt, dat echter de grove zanden liever buiten de bedijking gehouden moeten worden, doch dat zij aanvaard kunnen worden, wanneer daarmee bezuiniging kan worden bereikt.

Verder komt ten zuiden van Lemmer nog veen aan de oppervlakte, dat over het algemeen min of meer kleihoudend is, terwijl de kaart ook nog kleine oppervlakten keileem aangeeft. Deze laatste grondsoort heeft een zeer geringe waarde. Een deel ervan wordt echter ten behoeve van den aanleg van de dijken van te voren weggebaggerd.

De hiervoor globaal samengevatte uitkomsten van het bodemonderzoek, die op 588 boringen berusten, gaven een vrij stevig houvast bij het vaststellen van den omtrek van de inpoldering. Thans zal de vorm, die deze gekregen heeft, nader worden nagegaan. Vooraf zij echter in dit verband nog opgemerkt, dat het onderzoek uiteraard nog slechts globaal kon zijn en dat na droogmaking nog vele duizenden grondmonsters zullen moeten worden genomen en onderzocht, vóór een volledig inzicht in de bodemgesteldheid kan zijn verkregen. De lijnen, die de scheiding der verschillende grondsoorten aangeven zullen dan wel minder vloeiend blijken te zijn, dan zij thans zijn geteekend. Er is echter reden, om te veronderstellen, dat de gronden zeer homogeen zullen zijn, hetgeen een voordeel is voor de cultuur.

§ 3. D ij k t r a c é.

Na deze beschouwingen over den aard van het gebied, dat voor drooglegging in aanmerking kwam, dient te worden besproken, welk gedeelte van dit gebied werkelijk zal worden drooggelegd, met andere woorden, welk tracé aan den meerdijk wordt gegeven. Dit tracé is op de bij dit artikel behoorende kaartjes aangegeven. Het eerste punt, dat bespreking vraagt is de plaats, waar de dijk aan de Friesche kust aansluit. De aanwezigheid van de haven van Lemmer heeft op de keuze van die plaats grooten invloed uitgeoefend. Deze haven is een belangrijke toegang voor de binnenvaart tot de noordelijke provinciën. De scheepvaartbeweging beloopt ongeveer x 000 000 ton per jaar en het spreekt wel vanzelf, dat een dergelijke drukke vaart niet mag worden belemmerd en dat Lemmer dus in vrije gemeenschap met het IJselmeer moet blijven. Dit beteekent, dat het aansluitingspunt van den dijk beoosten de haven van Lemmer moest worden gekozen. Bovendien was het echter gewenscht, dat het stadje in de onmiddellijke nabijheid van den polder kwam te liggen. Alleen dan kan immers een deel van het nieuwe gebied van de aldaar aanwezige outillage profiteeren en kan ook omgekeerd Lemmer, dat uiteraard een groot deel van zijn vroegere Zuiderzee-visscherij heeft zien verloopen, nieuwe welvaart ontleenen aan de bedrijvigheid, die het nieuwe land zal veroorzaken. Het lag dus voor de hand, den dijk onmiddellijk ten oosten van de haven van Lemmer te doen aansluiten.

Van dit aansluitingspunt gaat de dijk eerst een eindje in zuidelijke richting, doch hij buigt al spoedig naar het Westen, daarbij slechts zoo ver van den havenmond blijvende, dat er nog voldoende ruimte voor de scheepvaart overblijft. Deze westelijke richting wordt over