is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is. Deze materiaalverplaatsingen vallen alle binnen het kader van de drift in engeren zin. Geologisch gesproken zijn ze een illustratie van het periglaciale klimaat, bodemkundig gesproken zijn ze echter van de grootste beteekenis, aangezien ze aanleiding geven tot primaire ■discontinuïteiten in de bodemprofielen, die groote gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling van de bodemprofielen.

Alvorens af te stappen van de driftverschijnselen willen wij nog opmerken, dat deze verschijnselen volgens dr W. A. J. Oosting ook thans nog in het landschap optreden, zij het ook in zeer verzwakten vorm. Bij er zich toe leenende weers- en bodemverhoudingen voert het voorjaarssmeltwater van de sneeuw zand uit den bovengrond mee naar lagere terreinen (drift in engeren zin), terwijl de in ons land thans zeldzame sneeuwstormen eveneens bovengrond kunnen transporteeren en op andere plaatsen in sneeuwhoopen kunnen afzetten (nivation). Hetzelfde is ongetwijfeld gedurende het Holoceen eveneens gebeurd. Zoo zijn de dekvormige praeboreale stuifzanden van Florschütz (1938) eveneens aan onze driftzanden verwant. Volgens mondelinge inlichtingen van dr C. E. Wegmann te Schaffhausen zijn dekvormige zandaccumulaties karakteristiek voor sneeuwdrift, terwijl landduinen het gevolg zijn van de beweging van zand zonder sneeuw.

Hoewel de drift dus niet exclusief aan het periglaciale klimaat is gebonden, en in meer of min verzwakten vorm ook in de holoceene klimaten een rol heeft gespeeld, zoo mag de drift toch wel karakteristiek voor het Jong-Pleistoceen gelden. Gedurende dien tijd was ze een zeer voorname geologische factor, die in hooge mate bepalend is geweest voor de huidige vormen van ons landschap.

De periglaciale natuur van het Jong-Pleistoceen in Nederland wordt op zeer nadrukkelijke wijze geïllustreerd door de sporen, die de permanent bevroren grond in den pleistoceenen en oud-holoceenen bodem van ons land heeft achtergelaten. De daarbij optredende verschijnselen, welke Edelman, Florschütz en Jeswiet (1936, zie ook Florschütz 1934) kryoturbate verschijnselen hebben genoemd, bestaan uit materiaalverplaatsingen onder invloed van de afwisseling van •dooi en vorst boven en in de Tjale. Ze vertoonen een verscheidenheid van vormen, waaronder vorstscheuren en „Taschenböden", die nog niet alle volledig zijn verklaard. De moeilijkheid ligt in het feit, dat het ijs, hetwelk oorspronkelijk een voornaam bestanddeel van de vormingen was, is verdwenen, waarna de plaats van het ijs door ander materiaal is ingenomen („Ausgleichserscheinungen"). Deze compensatie-verschijnselen overheerschen vaak het beeld. Oude vorstscheuren kunnen in het begin van het Holoceen vervloeid zijn tot bochtige zakvormige figuren (Fig. 2), die men niet zonder meer als ijswiggen herkent.

Bijzonder fraai zijn de door Florschütz en Van der Vlerk (1938) beschreven fossiele cellenbodems, waarvan het huidige aspect eveneens sterk door „Ausgleichsbewegungen" beïnvloed is.

De verbreiding van de kryoturbate verschijnselen in Nederland is zeer groot (Edelman 1938a). Nadat de door opvallende kleurcon-