is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daad over een groote uitgestrektheid waar te nemen is. Uit deze schiervlakte, die hier op 600 tot 700 m hoogte boven zee ligt en die, bij daartoe geschikt gesteente — bv. bij een samenstelling uit culmleien — inderdaad een karakter van bijna vlakte vertoont, verheft zich het bekende hoefijzervormige granietgebergte, dat met de twee toppen Ochsenkopf en Schneeberg tot boven 1000 m boven het zeeniveau uitsteekt en door zijn volkomen scherpe begrenzing tegenover de omgeving als voorbeeld van een orografisch individu kan gelden. Inderdaad behoort de naam Fichtelgebergte tot de meest bekende gebergte-namen, en geldt het als een der best gekarakteriseerde onder de gebergten.

Monadnock of „Centraal Bergland" ?

Zijn positie als knooppunt van radiair uitstralende gebergteruggen: Ertsgebergte, Bohemer Woud, Frankenwoud, heeft het tegelijkertijd tot een hydrografisch knooppunt geschapen; iedereen weet, dat van zijn met dicht naaldhoutbosch bekleede hoogten uit de Eger (en de Röslau) naar 't Oosten, de Saaie naar 't Noorden, de (Weisze) Main naar 't Westen en de Naab naar 't Zuiden afstroomen. Hier dus ontmoeten elkaar de waterscheidingen tusschen de stroomgebieden van Rijn, Elbe en Donau.

Op het eerste gezicht lijkt, zooals gezegd is, de geologische ligging en samenstelling de verklaring te geven. Het gebergte bestaat uit graniet; de omgeving, voor het grootste gedeelte uit gneis en philliet. Het is dus een monadnock. Dat er erosie moet hebben plaats gehad, blijkt juist uit het feit, dat hier een granietmassief, een gedeelte van een batholith, uit de omgevende omhulling is uitgepeld; iets wat bleef staan, terwijl de omgeving aan erosie en algemeene denudatie ten prooi viel. Dit is echter wat men een monadnock noemt. Maar een dergelijke redeneering bevredigt niet. Wij wenschen dezen monadnock in het licht van de wording der tegenwoordige hydrografie, en als het product van de toenmalige hydrografie te bezien. Zijn het de (tegenwoordige) rivieren, die het gebergte als zoodanig geschapen hebben? Of was de aanwezigheid van het gebergte de oorzaak van het ontstaan der tegenwoordige rivieren?

In het eerste geval, namelijk wanneer de (tegenwoordige) rivieren het gebergte zouden hebben geschapen, moeten wij ons voorstellen, dat het granietmassief, eventueel met een dikke omhulling, reeds van den beginne af een culminatie vormde. De rivieren, naar alle vier windrichtingen afstroomend, hebben de oude landoppervlakte ingesneden, en zoovele wegen voor de algemeene denudatie geopend, dat een lagere, dieper gelegen, jongere landoppervlakte in de plaats van de oorspronkelijke kwam, en het granietmassief overbleef, van zijn omhulling bevrijd. Dus zou het Fichtelgebergte toch een monadnock zijn. Maar het hooge uitsteken van het — met andere lagen bedekte — massief, waarvan wij moesten uitgaan, was dan te danken aan het feit, dat het in het centrum van een opwelving lag. Dus is het K. N. A. G., LVI. 34