is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bergen, terwijl er ook bij bruiloften en begrafenissen maaltijden gehouden werden. Het schijnt echter, dat deze onbewoonde eindkamer vooral gebouwd is, om den over het voorhuis liggenden zaadzolder te vergrooten. De noodzakelijkheid van een dergelijken zolder verdween omstreeks 1800. Voordien geschiedde de aflevering der granen in het voorjaar; gedurende den winter en de eerste maanden van het jaar werd geregeld met dorschen doorgegaan en het zaad op den zolder bewaard. Het Napoleontische tijdvak, dat de graanprijzen sterk omhoog dreef, bracht eerst een snelleren afzet teweeg. Toen verloor deze eindkamer („binhüs") zijn laatste bestaansreden en verdween1). Thans treft men nog slechts enkele bouwboerderijen aan, waarbij vóór de schuur drie vertrekken zijn uitgebouwd, waarvan het laatste dan het „binhüs". Onze foto brengt een dergelijk huis in beeld; het is de boerderij „Ter-Sted", onder Ferwerd, in het midden der vorige eeuw op de oude fundamenten herbouwd.

Is Uilkema's afleiding van den naam „büthüs" onjuist, ook ten aanzien van „binhüs" heeft hij zich aan een etymologie gewaagd welke niet houdbaar blijkt. Er van uitgaande, dat een afdeeling van een gebouw of een gebouw ten allen tijde genoemd is, onder meer naar het voornaamste onderdeel of bijzonderheid die het bevat, zegt hij 2) : „Om de laatste reden ben ik dan ook de meening toegedaan, dat binhuis beteekent: zolderhuis, het huis met de beun, d.i. de bergplaats voor de granen, — een onmisbaar onderdeel van de bouwhoeve reeds in haar eenvoudigsten vorm".

Taalkundig is deze afleiding er ver naast, terwijl het na het bovenstaande (men zie ook onder I) wel geen betoog meer behoeft, dat „binhüs" heel simpel binnenhuis beteekent en dat deze term zeer zeker niet alleen op de bouwboerderij betrekking heeft.

Vatten wij tenslotte het bovenstaande in het kort samen, dan komen wij tot de volgende conclusies:

1. Gallée, Uilkema en Junge leiden ten onrechte de benaming „büfhüs" af van „bmhüs".

2. De Friesche vorm van het Hollandsche „boes" als benaming van het koehuis of een onderdeel daarvan luidde „boas".

3. De huidige benaming van de groote deuren der schuur in den Zuidoosthoek van Friesland bewaart de herinnering aan dit overigens verdwenen woord.

4. Het is niet onmogelijk, dat in dit gebied de eerste schuren zijn opgetreden, waarbij de benaming van de deur van het koehuis is overgegaan op de deur(en) der schuur.

5. Bij „büthüs" moet alléén aan „buiten-", bij „binhüs" alleen aan „binnenhuis" gedacht worden.

6. Uilkema beschouwt ten onrechte als „binhüs" uitsluitend de eindkamer van de oude bouwboerderij.

7. Onder „binhüs" moet tevens verstaan worden de vóór de schuur uitgebouwde vertrekken, thans veelal als „foar-ein" (voor-eind) aangeduid.

1) Uilkema, bl. 61.

2) t.a.p. 84.