is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Te Waroenglame den noordelijken nieuwen weg nemend langs Awisewoe en Tjidomas volgt men in groote trekken de grens tusschen andesiet en dacietische tuf, totdat, bij nadering van de Tjipantjong deze tuf ophoudt en de andesiet van den Pr. Kiarapajoeng naar buiten treedt. Bij den brugovergang is in de Tjipantjongrivier wederom tuf ontsloten, die zich van tevoren aangetroffen dacietische tuffen onderscheidt door een grovere, meest veel sterker breccieuze structuur en minder witte kleur. Het is een ongelaagd, weinig hard, maar des te kleffer gesteente. De beitelsnede van den geologischen hamer smoort in de taaie massa en laat er een veeg in achter. Deze andesiettuf schijnt zich nog tot een goed stuk bovenstrooms uit te strekken en evenzoo stroomafwaarts J).

c. Traject langs de Tjilajoe-rivier. Nabij de monding der Tjibodas in de Tjilajoe treedt een aantal warme bronnen te voorschijn. Zij zijn in twee rijen gerangschikt, die elkaar ongeveer snijden op de landtong, besloten tusschen den linkeroever der Tjibodas en den rechteroever der Tjilajoe. Op deze landtong bevindt zich de grootste bron, respectievelijk groep van bronnetjes, die uit enkele kuilen opwellen, in de modder waarvan karbouwen oogenschijnlijk gaarne een bad nemen. De zwarte kleur van de modder, waaruit enkele gasbellen opstijgen, is ten deele wel aan fijn verdeelde zwavel toe te schrijven. Ook een sinter wordt afgescheiden, waarmede de rondom liggende rolsteenen zijn aaneengekit. Het complex van bronnetjes, waar temperaturen tot 67° C. werden gemeten, is omgord door een vegetatie van een zoutlievende varen, de Acrostichum aureum.

Ongeveer 200 m bovenstrooms van de landtong, aan den linkeroever der Tjibodas, siepelt warm water op (temp. 510 'C.), terwijl halfweg nog een kleine warme bron uittreedt. Op beide plekken groeien een paar Acrostichumvarens. De rolblokken in de Tjibodas vertoonen een groote verscheidenheid; vrij aanzienlijk is het aantal epidoothoudende gesteenten, die op rekening der contactwerking van den kwartsdioriet zijn te stellen.

De andere rij warme bronnen volgt van Moeara Tjibodas af den rechteroever der Tjilajoe opwaarts. Op 40 m bovenstrooms van de landtong welt een mufsmakend, samentrekkend water op met een temperatuur van 6o° C.„ omkranst door groene en gele (zwavel ?)wieren. Een 25 m en 50 m hoogerop bevinden zich weer twee bronnen (temp. resp. 450 en 520), met de voorgaande gelegen op een lijn met azimuth 1150. Ongeveer 250 m weer verder stroomopwaarts in de rak met azimuth 750 verschijnt over een afstand van ca. 150 m een nieuwe serie bronnetjes, minstens een vijftal, terwijl er tusschenin haast overal wat warm water opborrelt. De hoogste temperatuur

1) De andesiettuf, door Verbeek en Fennema vermeld van de Tjipantjong (lit. 1, p. 622) is genomen op ongeveer 3Y2 km stroomafwaarts, gemeten in rechte lijn.