is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te gaan, maar de resultaten der expeditie Le Roux af te wachten. Slechts een enkele tak der uitkomsten van de thans besproken expeditie verdient uitzondering en wel die van den landbouwopzichter Hulisolan, omdat onder de metgezellen van Le Roux geen eigenlijke landbouwkundige voorkomt.

Bij het bivak werd een proeftuin van circa 900 m2 aangelegd, waarop verschillende voedselplanten, zooals kool, maïs, rijst, bruine boonen, aardappelen, cassave enz. werden geteeld. De plaats was zoo gunstig mogelijk uitgezocht, te midden van tuinen der bevolking; de grond bestond uit een dun laagje humus (10—20 cm) liggende op geelachtige grauwe klei en was begroeid met niet zeer welig staand gras. De resultaten van den proeftuin zijn niet gunstig geweest, hetgeen werd toegeschreven aan de kwaliteit van den grond. Slechts de kool deed het goed, maar deze werd dan ook geplant in gaten, waarin van elders gehaalde humus was overgebracht. Deze methode, welke later voor den geheelen tuin werd toegepast, bleek de eenige te zijn om althans groente te verkrijgen voor het bivak, maar is natuurlijk niet toe te passen voor producten, welke slechts in groote hoeveelheid nut hebben, zooals rijst.

De grond op den voet der heuvels is wel wat beter; de dikte der humuslaag bedraagt daar tot 30 cm. Daar bevinden zich dan ook de meeste bevolkingstuinen, maar die voet lag te ver van het bivak af.

Hetgeen Hulisolan mededeelt over zijn grondonderzoek op verschillende deelen der hoogvlakte levert geen gunstig beeld op. De lage middengedeelten zijn vrijwel alle moerassig en veelal begroeid met riet. De grond op de drogere gedeelten bestaat nagenoeg steeds uit een dunne laag humus, waaronder grauwachtige of geele klei.

Over den landbouw der bevolking schreef hij het volgende:

Vóór de aanlegging van een tuin — voornamelijk worden pataten verbouwd — begint men het uitgekozen stuk grond te omheinen, hetgeen meestal door de mannen wordt gedaan. Daarna wordt de begroeiing, meestal bestaande uit gras, met de hand uitgetrokken, waarbij men de wortels laat zitten. Het uitgetrokken gras legt men neder ter plaatse waar het groeide. Nadat dit is geschied, begint men met het graven van goten, dat door mannen en vrouwen wordt gedaan met een houten schop (patao) met spitse punt en scherpe voor- en achterzijde.

De geheele oppervlakte van den te maken tuin wordt in bedden verdeeld met den scherpen kant van de schop. Dan worden de goten gegraven en de daarbij verkregen bovengrond (de humus) op het uitgetrokken gras op de bedden gelegd. Tuinen in moerassig terrein worden bovendien nog omringd door goten in en buiten den tuin, welke breeder en dieper zijn (±60 cm breed en diep) en zóó verbonden met de goten tusschen de bedden, dat deze op de ringgoten afwateren.

Een plantklaar gemaakt bed bestaat dus uit drie lagen: de oorspronkelijke humuslaag (op de kleilaag) waarin de graswortel en waarop het uitgetrokken gras, en daarboven een 20 a 25 cm dikke humuslaag, afkomstig uit de goten.