is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bivakkeerde aldaar op een topje, van waar den volgenden morgen voor de afreis nog een goed uitzicht werd verkregen op het voorterrein. Aanvankelijk werd een pad gevolgd, dat in NW.telijke richting liep met de bedoeling om tusschen twee lage heuvels door te trekken, hetgeen echter niet geheel volgens den opzet gelukte. Na eenig zoeken kwam de patrouille echter op een uitstekend Papoeapad, dat naar een kleine, noordwaarts voerende rivier leidde, welke over ruim een half uur werd gevolgd. Toen stiet men onverwachts op een groep Kapaukoe's, die op een hoop steenen in het riviertje zat. Zij schrokken aanvankelijk, maar waren spoedig gerustgesteld. De patrouille was vlak bij hun kampong en daar werd gebivakkeerd op 1400 m hoogte. De bevolking kwam aandragen met pataten, pisangs enz. en vertelde dat het riviertje wat verderop naar het Westen stroomde.

Den I7den November trok van Eechoud verder langs een pad op den rechter oever, eenigen tijd vergezeld door de vrienden van den vorigen dag. Na een uur bereikte men de samenvloeiing van den gevolgden tak met een anderen, iets grooteren uit het ZO. komend. Het pad loopt afwisselend tusschen NW. en NO. Het was weliswaar niet de gewenschte richting, maar in het Noorden liggen bergruggen in O.—W.telijken zin, zoodat vermoed werd dat de rivier wel spoedig van richting zou veranderen. Ook dien dag werden Kapaukoe's ontmoet — zelfs een vrouw kwam naar de patrouille kijken — die eveneens pataten en pisangs aanboden, 's Middags werd op 700 m hoogte gebivakkeerd, zoodat men dien dag sterk gedaald is.

Den i8den werd grootendeels door de rivier geloopen, af en toe moest echter de oever opgeklauterd worden, omdat deze plaatselijk steiler is of door kloven doorsneden. Ook werd de rivier dieper, hoewel met veel moeite nog wel te doorwaden. Ze is inderdaad overwegend in westelijke richting gaan loopen. Volgens Kapaukoe's, die 's-morgens het bivak bezochten, heet ze Bia. Blijkens sporen op de oevers kunnen er zware bandjirs voorkomen. Gebivakkeerd werd op 570 m hoogte.

Den igden November werden spoedig na den afmarsch de oevers zeer steil en doorsneden door kloven, zoodat een paar honderd meter moest worden geklommen om het ongeschikte gedeelte om te trekken. Daarna werd naar de rivier afgedaald en bleek deze weer begaanbaar. Dit verloop herhaalde zich enkele malen. Blijkens de algemeene richting, dien dag gevolgd, moest de Bia wel uitkomen in de Siriwo.

Den 20sten werd voornamelijk over de grindbank in de snelstroomende rivier getrokken, waarbij deze echter regelmatig en met vrij veel moeite moest worden overgetrokken. Dien dag werd de mond van een veel grootere rivier gepasseerd, welke uit het Noorden komt en een bed heeft van 3 a 400 m breedte, waarin toen echter slechts in drie geulen water stroomde. Het terrein wordt daarna zonder sterken overgang veel gemakkelijker, de rivier bevat eilanden en stroomt in een dal met breeden bodem, de oevers zijn doorgaans vlak.

Den 21 sten November werden eenige peilingen op het Weyland-