is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe die menschen het uithouden in die vochtige omgeving. Op het meer zijn minstens dertig prauwen aan het visschen naar garnalen (of kleine kreeften als men wil; ze worden door de Kapaukoe s „oedi genoemd). Het meer heeft een ondergrondsche afwatering.

Na een kort verblijf aan het meer keeren wij terug naar Jaba en zoo snel als mogelijk wordt de tocht voortgezet. Met het landschap is ook de samenstelling van den bodem veranderd. Inplaats van kalkrotsen is alles hier klei-bodem j soms waadt men tot de knieën door de taaie modder. Het is duidelijk dat men hier met een andere formatie te doen heeft. Wij treffen die formatie later op den dag aan als vast gesteente nabij de Oeta-rivier.

Laat in den middag wordt het prauwenbivak aan deze rivier bereikt. Van hier gaat men per prauw naar het Paniai-meer en de bestuursvestiging aldaar. Den volgenden dag huur ik een Kapaukoe' prauw en vaar de Oeta-rivier stroomopwaarts. Onderweg kan men de formaties bekijken, die in de oevers ontsloten zijn. Als wij op het punt staan om het meer op te varen, komt een motorprauw in het zicht. Spoedig wordt Paniai bereikt, alwaar de leden van de expeditie en de heeren van het plaatselijk bestuur ons hartelijk welkom heeten.

Vooruitloopende op een verdere toezending van het dagboek van Le Roux, wil de redactie den lezers van het tijdschrift niet het volgende onthouden, dat Aneta heeft gepubliceerd en dat in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 9 Augustus werd aangetroffen.

Den 6den Augustus werd bij onbewolkten hemel een schitterende verkenningsvlucht gemaakt over het geheele terrein der expeditie. Het geheele Nassau-gebergte was schoon tot den Wilhelmina-top toe. Naar het Oosten werd gevlogen door een langgerekt dal, Kemaboedal genaamd, naar de Delo-rivier, een linker zijtak van de BovenRouffaer, reeds bekend sedert de expeditie 1926. Vervolgens werd gewend naar het Zuiden en op 6000 m hoogte gecirkeld boven het complex der Carstenz- en Idenburgtoppen. Daarna werd naar den Darwintop gevlogen en terug door het Kemaboe-dal. Dit werd stroomafwaarts gevolgd tot een lange diepe kloof in de noordelijke bergketen, waardoor vrij zeker de Warenai-rivier stroomt, welke in de Geelvinkbaai uitmondt. Haar bronrivieren bevinden zich in de zuidelijke hoofdketen van den Idenburg- tot den Darwintop. Tenslotte werd het expeditieterrein verkend ten noorden en noordwesten van het Paniaimeer, een viertal ongeveer evenwijdig loopende ketens en dalen, en de rechter zijrivieren van de Siriwo.

Het geheele bergland bestaat uit zwaar hooggebergte. Een hooge zuidelijke keten daalt met een kaal rotsplateau af naar de dalen van de Delo-, Kema- en Riboe-rivieren. Rondom het Carstensz- en het Idenburgcomplex bevindt zich een zevental meertjes, die echter niet geschikt zijn voor landing met watervliegtuigen.

De verkende dalen zijn goed bevolkt, de noordelijke en zuidelijke ketens niet bewoond.