is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan breekt de tijd aan van het staande water en van de malaria in velerlei vorm (paludes pontinae). De Anopheles ging heerschen.

De Romeinsche grootgrondbezitters dachten met hun vele slaven slechts aan extensieve veeteelt; Plinius zeide het reeds: L a t i f u ndia perdidêre Italiam. Er waren niet veel vrije boeren, die hard wilden werken, Rome verschafte gemakkelijker voedsel en vermaak. En tegen den aanvoer van het goedkoope buitenlandsche graan viel niet te werken. Maar Rome had een weg noodig naar Capua en daarom zorgde Appius Claudius in 312 v. Chr. voor drainage-werken, doch de weg hield het water tegen, dat van de oostelijke bergen komt (Lepini, Ausoni, Aurunci), zoodat het verkeer soms alleen mogelijk was over het kanaal langs de Via Appia. Een uitweg door de duinen hielp niet en was zeer duur.

En nu ving de vergeefsche strijd van twintig eeuwen aan tegen water en koorts. Julius Caesar wilde den Tiber door de moerassen naar Terracina leiden, zijn afzettingen zouden het land ophoogen. De dood maakte een eind aan zijn plannen. Nerva en Trajanus probeerden het: mijlpalen en korenschuren uit dien tijd vindt men nog in Terracina. En het stadhuis te Terracina draagt nog den steen, die aan Decius herinnert: Theodorik der Oost-Goten droeg hem tevergeefs de drooglegging op. Het moeras wies verder aan; de bewoners van Ninfa, door Gregorovius het Pompei i der Middeleeuwen genoemd, vluchtten weg voor de malaria.

Leonardo da Vinei, de duizend-kunstenaar, die zich aan het Hof der Medici bevond, teekende een kaart voor Leo X (± 1515), maar het kanaal Portatore naar Porto Badino bracht geen verbetering. Het scheen wel het droombeeld der opvolgende pausen te zijn, dit gebied terug te winnen. Sixtus V (± 1590) belastte er den ingenieur Fenizzi mede; de Fiume Sisto- werd gegraven. Nederlandsche ondernemers, in dienst van Urbanus VIII, Alexander VII, Innocentius XI en Innocentius XII deden vergeefsche pogingen. Nog prijken in de Italiaansche boeken de stranieri olandese: N. de Wit, N. van der Pellens, C. Meijer e.a.

Pius VI (1775—1799) verbond zijn naam aan de krachtigste poging. Nog wijst men de plek aan, waar hij, rillend van de malaria, den arbeid gadesloeg. De ingenieur Rappini uit Bologna werkte grootsche plannen uit: in 3 jaren kwam 21.5 km kanaal tot stand (Linea Pio) ; om de 1500 m kwam loodrecht er op een zijkanaal; evenwijdig aan de Linea Pio werd het Canale Botte en de Schiazza gegraven; de Uffente werd verbeterd; dijken en werken zonken weg in den modder. Napoleon, niet alleen geniaal als veldheer, gaf den ingenieur De Prony opdracht het moeras te beteugelen, zijn val verhinderde verdere werkzaamheden. Daarna probeerden de pausen het opnieuw. In 1862 kwam er onder Pius IX een Consorzio Pontino tot stand, maar de geldmiddelen waren niet toereikend. Tusschen 1870 en 1914 zouden wederom vele pogingen te noemen zijn. De wet van 1899 gaf reeds aan welke plannen er moesten voltooid worden in geheel Italië,