is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te komen, geeft willig gehoor aan het verlangen van één der agenten om zich af te laten meten, waarvan ik haastig gebruik maak om de ontbrekende maten te nemen, en treedt dan met zijn pas verworven schat buiten de tent. Hij toont den buit aan de omstanders en lacht vergenoegd, blijkbaar zeer ingenomen met den afloop. Als de achttiende man nu ook nadertreedt ter meting, ben ik al even verheugd als hij. Ik heb echter nog maar enkele maten genomen of de nieuwe meteling vraagt iets aan de omstanders, die hem antwoorden en gaat dan op den hurken zitten, roepend „mattitiah", hetgeen zooiets als „dood" beteekent, op het zelfde moment geef ik hem evenwel een draai om zijn ooren, dat hij de tent uitstuift, want deze keer is het duidelijk genoeg, dat men een loopje met ons wil nemen. De heele troep stuift uit elkaar en staat verderop te grinneken als een stel kwajongens. No. 17 is er ook bij en heeft het grootste woord, zoodat de twee politieagenten hem willen grijpen en de vijf kigi's terugnemen, hetgeen ik belet om herrie te voorkomen. Trouwens de snaken verdwijnen nu met elkaar luid joelend in het struikgewas in de richting van hun kampongs. Nog langen tijd hooren we hen in de verte joelen en schreeuwen.

Maandag 14 Augustus. Ondanks het incident van den vorigen dag, wil ik volhouden en wachten, hoe het hier nu verder zal gaan, zoodat wij nog niet opbreken na het opstaan. Reeds is er weer een man verschenen en kan ik gaan meten; evenwel net als de laatste man van gisteravond zegt hij iets aan enkele medegekomen mannen, deze antwoorden, hij wil hetzelfde spelletje uithalen, doch ik heb het zien aankomen, zet mijn spijkerschoen onder zijn neerdalend achterdeel en in een boog vliegt de vent van onder het tentzeil uit en rolt in het gras onder groote hilariteit van de andere dorpelingen, door wie hij nu wordt gehoond, omdat zijn opzet mislukt is. Onder deze omstandigheden wil ik echter niet blijven werken en wij breken op. Nog vóór wij afmarcheeren, is geen mensch meer te zien of te hooren, terwijl kort te voren nog eenige tientallen mannen zichtbaar waren, zooals gebruikelijk, met pijlen en boog. Niet zeker wat men met ons voor heeft, trekken wij eenigszins op onze hoede verder, doch er gebeurt niets, ook niet als we langs een groote kampong trekken; wel volgt ons een aantal mannen, doch als wij hun domein voorbij zijn, blijven ze op een hoogte zitten kijken, terwijl wij een sterke helling afdalen. Minder aaneengesloten loopend dan te voren, overwint ons troepje dan allerlei terreinmoeilijkheden, komt in een moerassige vlakte en als ik reeds bereken, dat wij nu over enkele uren in Dijai aan het Tiri-meer zullen komen, houdt de voorhoede stil in een betrekkelijk kleine kampong, eet van aangeboden pataten en bijt in en sabbelt op toegestoken suikerriet. Een dorpshoofd, een goedgebouwde jonge kerel met een flinken baard en een paar felle oogen (een kop voor een rooverhoofdman, bedenk ik) treedt mij tegemoet en zijn donkere kijkers lachen vriendelijk.