is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

centrum. Mogen de precaire tijdsomstandigheden niet nog slechter worden, opdat het ons gegeven zal zijn onze taak tot een goed einde te brengen.

KORT VERSLAG VAN DEN GEOLOOG 25 Juli tot en met 9 Augustus 1939

DOOR

R. IJZERMAN

Zooals vermeld in het vorige verslagje (blz. 677), bereikte ik het hoofdbivak te Paniai op 25 Juli langs het gouvernementspad van Orawja. Sindsdien werden van dit bivak uit geologische verkenningen gehouden om den bouw van het terrein in de omgeving te leeren kennen.

Dr. Eyma, een oude kennis uit Utrecht, maakte met mij een botanisch-geologischen tocht naar den Déjai-rug aan de zuidwestzijde van het Paniai-meer. Eyma had speciale belangstelling voor dit gebied, omdat op grootere hoogte onbekende elementen van de flora te verwachten waren. Ikzelf verkreeg aansluiting bij hetgeen gezien werd langs het boven vermelde pad, terwijl in noordelijke richting een oudere, nog niet geziene formatie werd aangetroffen, die plaatselijk door een eruptiefgesteente doorbroken werd.

Wij bereikten den zoogenaamden voortop van de Déjai (volgens onze topografen ongeveer 2950 m boven het zeeniveau; de oppervlakte van het Paniai-meer is voorloopig op 1728 m gesteld). Deze tocht duurde van 28 Juli tot en met 2 Augustus.

Op andere tochten werd vastgesteld dat het Tage-meer, bezuiden het Paniai-meer, in een groote synkline gelegen is, waarvan de NW.flank zeer steil, de ZO.-flank minder steil staat. Het nog zuidelijker gelegen Tigi-meer kon bezocht worden, dank zij de medewerking van onze marine-vliegers. Wij daalden op het meer en kwamen met een rubberboot aan wal, om de ondergrondsche afwatering van het meer te bekijken. Volgens inlichtingen van Papoea's ter plaatse, komt het water van dit meer aan den dag in de Oeroemoeka-rivier.

Met de verkenning van den zuidoosthoek van het Paniai-meer is een begin gemaakt. Aldaar werd eenig inzicht verkregen in de details van de stratigrafie, die weder punten van aanknooping geeft bij de stratigrafie van het Orawja-pad.

Zeer interessant was de verkenningsvlucht langs de Kemaboerivier in oostelijke richting op 6 Augustus (zie het verslag van den leider). Een uitgestrekt kalkgebergte sluit aan de zuidzijde het hoogland af. Ten noorden daarvan schijnt de formatie van weinig gemetamorfoseerde schisten, die elders in Nieuw-Guinea is aangetroffen, een groote verspreiding te hebben. Deze schisten vertoonen een geheel ander geomorfologisch beeld dan de kalken. Van de Car-