is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwierf in het omgaan met corjalen in vallen en versnellingen. Bovendien waren deze lieden gewend aan het vervoeren van zware vrachten op den rug; zij vielen dus het meest in de termen voor de te verwachten werkzaamheden.

In Paramaribo en omgeving waren slechts weinigen van deze categorie te vinden; Nickerie echter bleek vele balata-bleeders te herbergen en nadat admiraal Kayser, in overleg met eenige plaatselijke autoriteiten, een arbeidscontract had opgemaakt, verklaarde de districtcommissaris van Nickerie, de heer De Rooy, zich bereid om liefhebbers op te roepen. Zoo werd na medische keuring een keuze gedaan en een groep van 42 arbeiders samengesteld. En al behoorde de meerderheid tot de Creolen of stadsnegers, ons troepje medewerkers vertoonde toch nog een schilderachtige bontheid in samenstelling.

Daar waren er van gemengd neger- en blank bloed, daar waren er met Chineesche namen en een duidelijk Aziatischen inslag, daar was een volbloed Javaan en twee volbloed Negers; en de autochthone bevolking van het land was vertegenwoordigd door twee Indianen, die tot de waardevolste expeditieleden zouden gaan behooren; zóó waren wij met hen ingenomen, dat het contingent Indianen voor de tweede expeditie werd uitgebreid tot negen, voor de derde expeditie zelfs tot veertien (zie foto no. 5).

DE EERSTE EXPEDITIE

Op den avond van den 22sten Juli 1935 bereiden Zijne Excellentie de Gouverneur en mevrouw Kielstra ons een zeer geslaagd afscheidsfeest in het Gouvernementshotel; en als wij allen op het groote balkon zijn verzameld, komt de militaire muziek met fakkels er de stemming in brengen: een aardige attentie van den militairen commandant, majoor Tulp. Ook den volgenden dag, als de Regeerings-commissie zich met eenige arbeiders uit Paramaribo en omgeving heeft ingescheept op het koloniale vaartuig „Koningin Wilhelmina", voor de reis naar Nickerie en de Corantijn, en vele vrienden en zelfs een familielid !) ons komen vaarwel zeggen, geeft Zijne Excellentie nogmaals blijk van zijn belangstelling door met zijn dochter aan boord van ons afscheid te komen nemen.

Een groote kist met sinaasappelen wordt aan boord gebracht; prof. Stahel en zijne echtgenoote, wier hartelijkheid en hulp en onuitputtelijke gastvrijheid ons gedurende de zes weken van ons verblijf te Paramaribo van zoo grooten steun zijn geweest, brengen ons hiermede een heerlijke aanvulling van ons menu voor de eerste weken; want aan de onbewoonde Corantijn zal niets eetbaars te vinden zijn.

Ten half zes worden de trossen los gegooid en in grauwen regen stoomen wij de Suriname-rivier af.

Het is op den dag af 25 jaar geleden, dat de Eilerts de Haan-expeditie, later door den toenmaligen luitenant ter zee C. C. Kayser

1) Mijn zuster, die reeds jaren als zendelinge in Suriname werkzaam is voor de Evangelische Broeder Gemeente.