is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongeveer uit de richting van kamp VI; hij zal die beek trachten te volgen om ons te bereiken, zoo gauw het transport veilig is aangekomen.

27 November. Vandaag loopt alles mij tegen; ik kom al grens zoekende op een rotsachtigen top met wijd uitzicht, maar waar ik in de diepte onder mij en verte voor mij ook speur met de Zeiss-binocle, van alle zijden komen de slingers van Mauriesie-palmen in één groot zwamp (moeras) te zamen; waar palmen zijn, is water en waar water is, kan de waterscheiding niét zijn: ik ben op een doodloopend spoor.

Als ik 's middags mismoedig en diep in gedachten over de oplossing van dit probleem, in mijn kamp terugkom, sta ik plotseling voor twee levende wezens: rasechte Roodhuiden (zie foto no. 31) ; in het kamp heerscht groote beroering onder de arbeiders, die rond de Indianen opgewonden allen tegelijk praten; alleen de vreemdelingen zelf zijn rustig en trachten met Van der Waals en William, mijn twee kust-Indianen, een soort gesprek te voeren. Met weeke, vage gebaren duiden zij aan waar zij vandaan komen: uit het bosch ergens in het Zuidwesten. Zij zijn met pijl en boog op jacht in de savanne. Een smalle roodbruine lendendoek en roodbruine banden onder de knieën vormen hun kleeding, een lang kralensnoer schuin over één schouder en een armband van kralen, hun versierselen. Zij dragen het haar lang en mijn eerste indruk, als ik hen van een afstand zie, is: twee vrouwen! Maar het blijken wel degelijk mannen te zijn, een van hen zelfs lang en goed gebouwd; hun lange sluike haren, de ponny op het voorhoofd en hun wijze van gebaren geven hun iets vrouwelijks. Hun jachtkamp is ver en dus willen zij wel in ons kamp overnachten. Met Van der Waals als tolk tracht ik wijsheid bii hen op te doen omtrent het terrein, ten slotte komen we zoo ver, dat zij mij beloven den volgenden dag te wijzen wat „toena Sipaliwini" (Sipaliwini-water) is én wat met, de kreek waaraan wij kampeeren en die ik voor een Sipaliwini-kreek hield, heet Koesjarè en schijnt niet tot de Sipaliwini te behooren.

Onze gasten hebben een sterken lichaamsgeur; hun natuurlijke ïossigbrume kleur is tot vurig rood geworden door de koesoewee of roekoe, de zaden van een roode vrucht, waarmee zij zich insmeren, Zij doen zich te goed aan rijst en ik beloof hen een kamisa (lendendoek) uit onzen ruilmiddelenvoorraad (al gaan hun zeer duidelijk aangegeven wenschen ook naar houwers en messen!) als zij mij morgen kunnen helpen.

Den volgenden dag zijn we nog geen half uur op stap of een nieuwe verrassing wacht ons: vijf Braziliaansche vrachters komen ons tegemoet! Zij deelen mede dat een uurtje verder aan deze Koesjarè een kamp is met een marconist. Intusschen laten de Indianen via Van der Waals weten, dat zij hun hangmatten gaan halen in hun jachtkamp; nu ik in de Brazilianen een hoopvollere kans zie om uit mijn moeilijkheden te komen, laat ik hen trekken; ik heb hen niet meer teruggezien. Vermoedelijk zijn zij angstig geworden door het ongewone gedrang in de anders zoo verlaten savanne.

K.N.A.G., LVI. ,,