is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wolken — windstilte hier beneden en stilte over de oerwouden. Morgen gaan wij die twee roode figuurtjes achterna, later zullen we hier weer terugkeeren, na lange maanden. Maar zullen ze niet als een dag zijn, in een land waar niets verandert en de Indianen leven als

voor duizend jaren?

20 Augustus. Vandaag, den zevenden dag, op de Paloemeu ; de eerste twee dagen vorderden wij snel: geen moeilijkheden, den derden dag werd bijna geheel besteed aan den Trombakka-val (turn back). Om elf booten en hun lading op te voeren is geen kleinigheid! Daarna werd het steeds moeilijker en de laatste drie dagen zijn we ruim ... twee kilometer gevorderd. Een nooit eindigende serie vallen, zeer mooi, maar ontzettend zwaar en tijdroovend; telkens weer moet alles ontladen worden en meermalen met booten en al door het bosch omhoog geklauterd worden. Nu morgen nog een negen meter hooge val — de Papadron — (volgens De Goeje 1907) en dan hebben we het ergste achter den rug. De Paloemeu breekt hier door het Oranje-gebergte, waarvan we af en toe een 720 meter hoogen granietberg, de Kassi Kassima te zien kregen. Een waar natuurwonder: loodrechte, kale wanden door vijf of zes geweldige granietkoppen bekroond , slechts in de spleten groeit hier en daar eenig bosch.

Den eersten nacht aan de Paloemeu brachten we door in het Oajanadorp Apetina (zie foto's nos 56, 57, 58) ; even te voren waren we reeds een kleiner dorp, Josapé gepasseerd; tijdens het veilig door de soela brengen van de booten, (alle dorpen liggen bij een soela, vermoedelijk met het oog op de vischvangst) had ik met den tamoesji Josapé een „conversatie" gehad (zie foto no. 59). Deze dorpen dragen altijd den naam van het dorpshoofd (tamoesji) ; sterft deze, dan wordt een ander terrein gezocht om een nieuw dorp te bouwen, terwijl men het oude laat vervallen; aan de jongere vegetatie is de plek, waar vroeger een dorp stond, nog wel eens te herkennen. Vóórdat het nieuwe dorp verrijst, moet eerst het bosch geheel worden afgebrand, want de dorpen moeten in de volle zon liggen.

Er komt dus bij een dergelijk sterfgeval heel wat kijken, en het zou mij werkelijk spijten als wij die gewoonte in Nederland overnamen; wij allen hopen tenminste „Monchy-dorp" over eenige jaren nog op

zijn plaats terug te vinden.

Onze Djoeka's hebben met al deze Indianen handelsrelaties en zij werden dan ook als oude bekenden begroet. Ook wij werden door Apetina als vrienden ontvangen; in het ronde dorpshuis, midden op het open plein, zat Apetina op een laag bankje ons op te wachten; hij bleef zitten terwijl wij slappe handjes wisselden, er werden meer bankjes aangedragen, waarop Van Straelen, Tjong en ik plaats namen. Het huis was niet meer dan een bijeenkorfvormig dak, met palmblaren gedekt, op acht palen rustend; de diameter was ongeveer acht meter; wij moesten even bukken om onder het laag afhangende dak te komen, maar daarbinnen was het een luchtige, lichte koepelvormige ruimte, onder de nok afgesloten door een cirkelvormige houten decoratie, waarin een in indigo-blauw, zwart en wit gekleurde gestyleerde teekening.