is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar stonden nu onze zwarte vrienden — een breede grijns op hun gezichten en practisch gekleed in Adamskostuum, behalve den onafscheidelijken vilthoed en amulet.

Dienzelfden dag nog kwam de radioverbinding met Paramaribo tot stand en hoewel Tjong te zwak was om veel zelf te kunnen doen, kwam het telegram, dat meer een noodkreet was aan Rombouts, goed over. Van dat moment af, werd de marco weer een ander mensch, en toen het antwoord kwam op mijn zwakke diagnose: vermoedelijk gebrek aan vitaminen; geef al wat je hebt aan tabletten, was de patiënt — alleen door het herstelde moreel, al weer in staat een paar pasjes te loopen. Een week later was er bijna geen spoor meer van de ziekte te bemerken: alleen was er van het overtollige vet niets meer over!

21 Maart. Morgen zullen wij de terugreis te water beginnen en de Zondag wordt tot welverdienden rustdag gemaakt. Rust is er echter allerminst, wèl de eenigszins zenuwachtige vroolijkheid voor vertrek. Het kamp lijkt wel een bijenkorf; er wordt gewasschen, brood gebakken, kleeren versteld, meelzakken in broeken omgetooverd; sommigen beginnen reeds eenige lading in de corjalen te brengen. En te midden van al die drukte stappen plotseling drie Trio Indianen van Joeloe, het dorp dat stroomop ligt, uit hun boot en wandelen onze kampplaats binnen! Het is Joeloe zelf met twee onderdanen. Deze lieden zijn tijdens ons werken op de grens reeds hier geweest en hebben zelfs op lofwaardige wijze den dienst van de kampwachters eenige dagen waargenomen, toen die onze Sint Nicolaas-post naar de grens brachten. In dank hiervoor wordt hun nu een groot blik zout gegeven en vertellen wij hun van de groote voorraden rijst, die wij achterlieten en die zij met hun Indianen-speurneuzen wel spoedig zullen vinden. Het is vreemd, dat wij bij de Indianen nooit het bezit van zout konden constateeren;' zij aanvaardden het echter gaarne als geschenk, waaruit men zou kunnen opmaken dat zij er niet onbekend mee zijn.

Reeds op den dag van vertrek ontmoetten wij op de rivier onzen ouden vriend Apetina, en op den eersten April voegde hij zich met zeven dorpsgenooten bij ons voor een bezoek aan Paramaribo, het eerste bezoek, ooit door bovenlandsche Indianen aan de kust gebracht!

In Augustus hadden we het Oajana-dorpshoofd Apetina leeren kennen. Gedurende het! werk op de grens was ons het gerucht ter oore gekomen, dat Apetina aan de arbeiders van ons riviertransport had te kennen gegeven, ons op de terugreis wel te willen vergezellen naar de stad. Door een brief van Van Straelen had dit gerucht Paramaribo en zelfs den Gouverneur bereikt, en eenigen tijd geleden had Zijne Excellentie mij geseind om dit plan, indien het werkelijk bestond, zooveel mogelijk te willen steunen. De eeuwenlange isoleering dezer Indianen zou op die wijze verbroken worden en een eerste contact tusschen hen, die toch ook (al weten zij het niet!) onderdanen van Hare Majesteit zijn, en de buitenwereld, waarin het Nederlandsche Gezag heerscht, zou zoodoende ontstaan.

Het zijn de Boschnegers geweest, die de barrière vormden, waardoor de Indianen nooit hadden kunnen of willen heenbreken. Voor