is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik was eenige dagen geleden dicht bij zijn voet en genoot van open rotsen af een heerlijken kijk over vele andere granietbergen en heuvels, de meeste met steile wanden. De bloemen zijn hier weer heerlijk mooi; een glas vol gele orchideeën en blauwe en witte bloemen staat op onze tafel. Zoo zou ik bij oogenblikken toch weer enthousiast over dit vreemde land, en zelfs tevreden in dit vreemde leven kunnen zijn, ware het niet dat de koepari's (boschluizen), de eeuwig bezweete kleeren en andere details, het juist even beneden de grens van toelaatbaren eenvoud leven, je weer anders doen denken.

Ik ben wel erg moe, vooral de oogen, waardoor hoofdpijn; dat komt door de vele sterretjes, die er 's avonds te observeeren zijn om het drielandenpunt toch maar goed vast te leggen; reeds drie avonden was ik er mee bezig; misschien zal het vanavond de laatste maal zijn.

Rombouts kwam gisteren plotseling hier binnen vallen met een arbeider. Hij zit in een kamp noordwest van den Temomairem aan een bronkreek van de Waroemapan. Hij was vol vuur en deed goed werk, heeft daarginds al ongeveer 9 kilometer grens verkend en gekapt en beklom den grooten berg met succes — hoewel niet zonder moeite uit het Westen. Als wij hier klaar zijn, zullen wij naar zijn kamp verhuizen.

Op het drielandenpunt liet ik natuurlijk openkappen voor de observaties en daar kwam een wondermooie kijk op den Temomairem vrij; terwijl wij op het vallen van het duister zitten te wachten, genieten wij daarvan: een blauwviolet bergsilhouet tegen zachtgoudgelen hemel. Maar die stilte, die eenzaamheid, gaat alle beschrijving te boven. En zoo was het hier — precies zoo — toen de Kaninefaten in ons land woonden ...

13 September verlieten wij het drielandenpunt om het grenswerk naar het Westen te vervolgen. Van de Franschen bemerkten wij nog niets, ik kon daar echter niet werkeloos op hen blijven wachten.

Het bleek al spoedig dat de Temomairem van het Oosten uit inderdaad onbeklimbaar was — een vrijwel loodrechte granietband, uit het oerwoud oprijzend, versperde ons den weg; ik moest dus een hulpmiddel te baat nemen om de grensmeting te kunnen voortzetten. Daartoe werd een top in Brazilië ingeschakeld, een platte rotsberg met één hoogen boom erop, die ik van het drielandenpunt reeds gemeten had, evenals een astronomische peiling op den Temomairem. Een tweede hulppunt was een punt der grenslijn, door een witte lap verduidelijkt ; door driehoeksmeting werd eerst de Braziliaansche top (vanwaar door Van Straelen bovendien een panorama-serie werd gefotografeerd) en vervolgens de Temomairemtop berekend.

Het beklimmen van dien berg uit het Westen (zie foto no. 79) langs de route die Rombouts had gevonden, geschiedde op 18 September. Met touwen werden theodoliet en drievoet langs de steile rotsen opgeheschen; bijna den geheelen dag was ik daarboven bezig met het opmeten van het panorama, terwijl Rombouts fotografeerde. Op den slechts met struiken begroeiden noordwesttop vonden we mooie roode aardorchideeën.