is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1939, 01-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zondag 12 December. Rustdag. Er werd de laatste weken door iedereen in zulk een koortsachtig tempo gewerkt, dat er eens een rustdag moest komen, want we zijn allen bek-af. Lang kan deze onzekere toestand niet meer duren en het grenswerk zal klaar komen, al moet onze groep het geheel alleen doen.

13 December. Dit gedeelte van de waterscheiding werd door Rombouts en Van der Waals verkend en gemerkt, zelfs gedeeltelijk al als pad gekapt. Er is dus nu zooveel meetwerk dat Van Straelen en ik tegelijk stukken grens kunnen opmeten. Maar ... wij hebben slechts één meetlint. Daarom maten we gisteren een reeds lang gerekt stuk schiemansgaren af, en nu hebben wij een tweede „meetlint", 20 meter lang en door middel van touwtjes met knoopjes onderverdeeld in meters, het werd nauwkeurig langs het stalen meetlint uitgemeten.

15 December. Eindelijk weten wij nu waar we aan toe zijn. Wij wonen hier in kamp VII (doktersnummering) op 434 meter hoogte, bij de bron van de Litani. Van Straelen en ik gaan beiden naar de grens om verder op te meten. Om half twaalf hoor ik schieten, twee knallen: het dubbelloopsgeweer, dat Rombouts bij zich heeft! Hij is dus terug*; wat voor tijding zal hij brengen ?

Üm twee uur terug in kamp, vind ik er een groot gezelschap. Rombouts is er met drie man en heeft goed nieuws; hij kwam op de grenslijn van den admiraal uit, vermoedelijk vlak bij het punt, dat deze mij als zijn beginpunt had opgegeven; vandaar ging het grenspa naar het Westen: dat zal het gedeelte zijn dat aansluit aan ons werk van Maart.

Waar de admiraal zich bevindt, blijft een vraagteeken; het voornaamste is, dat wij nu aansluiten. De geheele verbinding werd gekapt en moet dus nog schoongemaakt en opgemeten worden.

Een tweede verrassing is de aankomst van de bewakers van het Waroemapan-magazijn, die hun post hadden verlaten en de Litani waren opgevaren om ons een groote en heerlijke mail te brengen: goede tijdingen uit Nederland van eind September en uit Paramaribo van eind October.

De Goeje schrijft, dat hij de terugreis aanvaardt (eind November) • hij wordt te veel geplaagd door de kwaadaardige boesias (huidontsteking) en bovendien is zijn oogst aan taal- en volkenkundige gegevens zoo groot, dat hij er naar verlangt, alles te gaan uitwerken.

En ten slotte laat de fransche gedelegeerde Grébert mij weten, dat hij tot 1 Januari aan de Koele-Koele-monding op mij zal wachten voor besprekingen. Daar is de admiraal dus blijkbaar niet. Of ik op tijd zal zijn om Grebert daar nog te ontmoeten ?

17 December. Het volgende werkplan is nu opgemaakt: Van Straelen zal met vijf man naar het aansluitingspunt met de lijn van den admiraal gaan laat, waar noodig, de grenslijn verder schoonkappen en meet van het aansluitingspunt af de grens op, mij tegemoet; hij ■-rijgt zes dagen den tijd. Rombouts en ik verhuizen met zes man naar een volgend kamp 27 op de grens, om er te observeeren (paal 10) (zie toto no. 87), en — Van Straelen tegemoet — ook zoo ver mogelijk grens op te meten.

K. N. A. G., LVI.

55