is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1868, 01-01-1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Minder aangenaam dan deze mededeelingen waren mij onze verdere discoursen. Ik merkte hier weder, hoe veel er toe behoort om onze medemeuschen te begrijpen, en hoe moeilijk dat is bij verschil van nationaliteit, van opvoeding en denkwijze. Rich, en den volgenden dag ook Nuszbaum, //Diener zum Wort" in de Bazeler gemeente der //Untere" Mennoniten namen mij formeel in verhoor; of liever, zij vroegen mij oplossing van raadselen, die hun gemoed ernstig bezwaarden, terwijl mijn Nederlandsch geweten wel andere zaken te behartigen had. Wij spraken lang en broederlijk — zonder te twisten — over het geoorloofde van dans en kaartspel voor den geloovige. Daarna vroeg Rich mij hoe ik over de apocryphen dacht, wat ik van de 10 geboden //hield", en vooral naar mijn oordeel over het Hooglied. Dit laatste punt lag hem 11a aan 't hart. Toen 's zondags hij en Ntjszbaum aan de drieëenheid kwamen, waagde ik de opmerking, dat wij van zulke diepzinnige dingen zoo bitter weinig weten, dat wij die questie maar aan de wijsgeeren moesten overlaten , daar zij voor ons als Christenen weinig interessants kon hebben; dat onze vaderen zich juist hadden gekenmerkt door het eenvoudig Christelijk geloof te belijden en te handhaven , onafhankelijk van en tegenover al die menschelijke geleerdheid , enzv. Zij lieten het mij zeggen, en gaven mij geen ongelijk. Ik vermqed omdat zij niet veel van zoo'n Nederlandsche redeneering begrepen. Nu,, ik begreep hunne vroomheid ook niet.

Verder zeide Rich mij, dat eigenlijk onder de Bazelsche Mennoniten weinig christelijke lieden werden gevon-