is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1868, 01-01-1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

morgen, toen wij met elkander naar liet bedehuis gingen. Wij wandelden langs een zandweg, die dicht bij den CentralBahnhof, het station der Zwitsersche en Pransche spoorwegen aanvangt. De weg liep door eene vlakke landsdouw : in de verte zagen wij de Jura en de uitloopers der Vogezen : achter ons wierp de winterzon een nog rozigen gloed op de glinsterende toppen van het Schwarzwald en de Crischona. Na een klein uur bereikten wij een alleen staand gebouwtje, dat er juist niet zeer sierlijk uitzag, en niets vertoonde, wat zijne bestemming tot kerk kon verraden. Er waren reeds wagens voor de deur uitgespannen. Onder een paar hooge olmen stonden mannen te pralen met eene soort van kwakerhoed op 't hoofd, oude, eerwaardige Nazireërs, met lange witte baarden, nog door geen scheermes aangeraakt. Prof. Hagenbach vertelde mij later, hoe in zijne jeugd te Bazel maar drie soorten van menschen bekend waren, die een baard droegen : sapeurs, Joden, en Doopers. Onder de laatsten hielden zich echter tegenwoordig alleen de hoogbejaarden nog aan het oudvaderlijk gebruik: de jongere geslachten waren ook hierin afgeweken. — De broeders kusten elkander ; ik maakte een praatje met een paar oudsten, die in hun Elzassisch patois niet gemakkelijk te verstaan waren. Zij gingen spoedig in een afzonderlijk kamertje, ii.l. de oudsten en de //Diener zum Buch;" terwijl Et.lenbekger en ik de kerk binnen traden. Dit was eene ruime vierkante zaal, wit gepleisterd, met eene verhevenheid aan het eene einde, waarop stoelen voor de opzieners der gemeente stonden, en die niets bijzonders bevatte dan