is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1868, 01-01-1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«ziet toch dat gij voor elkander zorg draagt en vraagt niet veel mijn lieve vrienden! naar anderen, als gij bij elkander komt, of ook waar een iegelijk woont, maar in zulke dingen zijt onwijs!" Hij zelf had dit altijd trouw in acht genomen. '/Nooit begeerde ik," schrijft hij (13), //te weten, waar de vrienden woonden, als ik iemand sprak. Want, lieve vrienden! wegens deze zaak is groot gebrek onder sommigen, die altijd vragen naar den een en naar den ander, en, als men 't hun niet zegt, zoo nemen zij 't niet goed op. Och, lieve vrienden! wist gij wat een liiden dat het is, als gij gevangen raakt, gij Koudt zoo niet vragen. Daarom wilt gij wat vragen, zoo vraagt naar 't geloof, dat uw ziel kan zalig maken. Al de pijn die ik geleden heb, werd mij aangedaan om iets van anderen te weten te komen: dus, weet gij weinig, te minder hebt gij te verantwoorden." Hij gaf dit ook openlijk aan zijn rechters te kennen : //mijnheeren ! ik heb altijd gemeden veel te weten, op avontuur , of ik gevangen raakte, dat ik niet veel behoefde te zeggen."

Zelfs was dit ontwijken van een antwoord, dit ontduiken eener aanvraag naar hunne vrienden bij vele martelaren niet een oogenblikkelijke list, waartoe ze in den nood hun toevlucht namen, maar een wèl overdachte, langvoorbereide handeling, uit het beginsel eener zeer vast gegronde overluiging ontstaan. Hooren wij 't van den Texelschen martelaar Jan Gekiuts Ketelaeb, , in 1504 te 's Gravenhage verbrand. Hij bekent herdoopt

(13) ald. IjI. 139.