is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1868, 01-01-1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu liet hooge woord er uit: ja, heer baljuw! Baljuw: hoe lang is het geleden? Klaas: omtrent vier jaren.— Nog langer stelde Willem Enchus (15) (zoo noemt hem 't Brusselsch archief, misschien in plaats van Willem van Enkhuizen) het beslissend antwoord uit op de vraag: //of hij herdoopt was?" Eerst is het: «'waarom vraagt gij naar rnijn doopsel, en niet naar mijn leven en geloof, zoo zoudt gij daarop een juist oordeel over mij kunnen geven, en dit volk kon het navolgen." De schout herhaalt de vraag. Nu luidt het antwoord: //gij begeert immers maar een woord , en ik heb vroeger een belijdenis gedaan: oordeel dan juist en overleg de zaak wel." Nog eens viaagt de schout: //zijt gij herdoopt?" en wederom ontwijkt hij het antwoord, met de wedervraag: //gij hebt mij vroeger alleen gevraagd, mag ik u nu ook niet vragen?1' //Geef eerst bescheid," herneemt de schout: //dan zal ik het u zeggen." Maar nog verder wijkt nu de gevangene af: '/ik wilde wel," roept hij uit: //dat gij eens dacht aan den dag, die branden zal als een oven, wanneer de goddeloozen als stroo zullen vergaan; maar Mark. XVI staat geschreven, dat wie gelooft en gedoopt wordt zalig zal zijn." En wanneer nu met kwalijk verholen ongeduld de schout hem toeduwt: //daarnaar vraagt men u niet!" maar voor 't laatst de vraag herhaalt, — dan eindelijk komt hij tot de bekentenis: /'de kinderen kunnen niet gelooven, en daarom heb ik op mijn geloof mij laten doopen."

(15) tan Braght a, w, bl. 275 noemt hem naar zijn bedrijf den Kleeremaker,