is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1868, 01-01-1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duld bij verloren en eerlang allen, die van deze gezindte waren, zonder onderscheid verdachten van '/streken en vonden." Hun verwijt werd niet vergeten, maar nog eeuw uit en eeuw in, zoolang de leden der staatskerk den Doopsgezinden minder gunstig waren, herhaald. Dat het ten aanzien van enkelen misschien wèl gegrond was, gaf ik reeds toe en blijkt ook uit de vermaning van Matthijs Servaas, Doopsgezind leeraar te Keulen, in 1565 om 't geloof ter dood gebracht, die ik ten slotte hier volgen laat.

Aan den eenen kant overtuigt ons deze vermaning, dat onder de Doopsgezinden der 16e eeuw inderdaad de verkeerdheid bestond, die men gewoon is met den naam van Mennistenstreken aan te duiden, maar ze bewijst toch ook aan den anderen kant onwederlegbaar, met hoe weinig recht voor de schuld van enkelen een geheele broederschap aansprakelijk gesteld werd en hoe 't in haar midden geenszins ontbrak aan mannen, vol van de heiligste waarheidsliefde en de teederste nauwgezetheid. Maar — ik laat den Keulschen leeraar zeiven het woord. (16).

//Laat toch," zóó schrijft hij uit zijn laatste gevangenis, «laat toch in uw woorden noch in uw werken geveinsdheid bevonden worden! Want ik heb wel bij sommigen groote behendigheid of schranderheid in woorden bespeurd, dat ik niet prijzen kan, gelijk ik het ook niet geprezen heb. Zullen wij toch eenvoudig zijn, dan moeten wij immers de listigheid afleggen; want (merkt het op) wat boven ja en neen is, dat is van den kwade.

(16) v. Braght a. w. bl. 335 en 336.