is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1868, 01-01-1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had Van dek Honert aan Stinstra verweten, dat hij zich niet aan de openbare belijdenissen van zijn genootschap wilde honden. Dat was miskenning van der Doopsgezinden vrijheid in dit opzicht. De Hoogleeraar scheen niet te willen weten, dat vele gemeenten zich daarvan reeds geheel losgemaakt hadden; de Zonisten waren voor hem de eenig ware Doopsgezinde broeders. Niet geheel onnatuurlijk zeker was het, dat Stinstra over al die in zijn oog zoo dwaze beschuldigingen boos werd; maar dit verschoont den verkeerden toon niet, die er in zijn schrijven heerscht. Onwellevend handelde hij vooreerst door zijn tegenstander geen exemplaar van zijn geschrift te zenden, en meer nog verdient het afkeuring dat hij met minachting van hem spreekt, een door partijhaat ingegeven onbillijk oordeel, over zijne leerredenen velt, en op waarlijk onbeschofte wijze den Hoogleeraar in een ongunstig daglicht stelt. //De heer van der Honert zegt hij o. a. //heeft buiten twijfel een pastorale, professorale en gereformeerde opvoeding gehad, ik slechts een menschelijke en Christelijke. Hij ziet in de godgeleerdheid altoos door een dubbelen, Heidelbergschen en Dortschen bril, dien men hem , toen hij nog een kind was, al heeft opgezet, die door langdurigheid als op zijn neus is vastgegroeid, zoodat hij zich inbeeldt, dat die een gedeelte van zijn gestel uitmaakt en tot zijn zintuig des gezichts behoort." Ja , en nog wel platter schreef men in die dagen; Stinstra was de eenigeniet — ziedaar al wat tot zijn verschooning is te zeggen.

Nog eens, .en nu voor het laatst, vatte van der