is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1868, 01-01-1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeds is het vonnis over den niet zeer waardigeu toon van dit stuk geveld, de door den schrijver voorgestane opvatting van het herdersambt naar verdienste getuchtigd.

Ik wensch niets af te doen aan die kritieken, en mijne instemming daarmee te betuigen, valt mij gemakkelijk. Ook weet ik, dat ik niets te zeggen zal hebben, wat in waarheid nieuw kan heeten; oude dingen zijn het, maar het spijt me genoeg, dat ze nog herhaald moeten worden. Hoofdzakelijk kom ik slechts op datgene terug, wat mij van den beginne af het meest getroffen, of liever geschokt, ja met innige verontwaardiging vervuld heeft. De uitspraken bedoel ik, die Straatman over den godsdienst ten beste geeft, en als den korten inhoud zijner prediking gedurende de laatste jaren voorstelt. Dat ze door een godsdienstleeraar, en wél van den kansel, ten aanhoore van een gemengde schare verkondigd zijn, en wie weet bij hoevelen luide toejuiching vonden, dat maakt openlijke bespreking niet overbodig, maar eischt die gebiedend.

Ik leg den nadruk op den titel van godsdienst\tQv^v en stel er terstond de verzekering van Straatman naast, dat hij zijne gemeente een aftreksel toediende uit ervaring, wetenschap, zielkunde en natuurkennis gebrouwen. Het zijn zijne eigene woorden (bl. 23). Zonderling! Keeren we dan nu tot de orthodoxe beginselen terug? Is de oude dogmatiek niet insgelijks een aftreksel, of beter gezegd een samenstel van wetenschappelijke mee«ingen? Heeft zij niet uit dezelfde bronnen als de