is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 2, 1868, 01-01-1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit schijnt hem evenwel niet te hebben belet of teruggehouden daarover bij uitersten wil te beschikken. Immers na ziju overlijden, hetwelk op den 17 December 1800 vijf en zestig heeft plaats gehad, heeft zijne bij Testament gestelde erfgenaam, zekere Aagje van Het.den , weduwe van Arie van de Weg, te Dordrecht, dieniet behoort tot de Dordrechtsche of eenige andere Doopsgezinde gemeente, maar tot het Nederduitsch Hervormd Kerkgenootschap, zich gesteld in het bezit en den eigendom der goederen van de Doopsgezinde gemeente, te Dordrecht, even als of zij een deel der aan haar vermaakte nalatenschap uitmaakten, terwijl zij kort daarna, en wel op den een en dertigsten Maart 1800 zes en zestig, heeft goedgevonden daarover als geërfd goed te beschikken en die te verkoopen, blijkens achte van transport voor den Notaris Mr. Hendrik Verhoeff Maritz te Dordrecht verleden (Bijlage Letter H), waarin wordt gezegd dat de erflater Abraham Karsdorp den eigendom heeft verkregen als laatst overgebleven lid der Mennoniete gemeente te Dordrecht en door langdurig bezit.

Opmerkelijk is hierbij, dat het bezit van Abraham Karsdorp tijdelijk was en met den dood ophield, naardien hij bezat voor een ander; dat de eigendom dus niet behoorde tot zijne nalatenschap en ook niet op zijne erfgenamen kou overgaan; dat, zoo er al ontbinding van het zedelijk ligchaam heeft plaats gehad, dit eerst geweest is een gevolg van het overlijden van het laatst overgebleven lid, wiens rechten echter geheel persoonlijk waren;