is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1869, 01-01-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl ik straks, te gelegener plaatse, mijn gevoelen omtrent den oorsprong van den christelijkeu doop nog wat scherper zal doen uitkomen, meen ik te kunnen volstaan met een poging het behoorlijk te staven en te handhaven tegen de voornaamste bedenkingen.

Tot staving van mijn gevoelen wensch ik mij niet te beroepen op 't bericht in de Handd. der App. omtrent de drieduizend Joden, reeds op 't pinksterfeest door den doop toegevoegd tot de gemeente des Heeren; evenmin op 't geen we elders in dat geschrift lezen van den doop voltrokken aan de Samaritanen, aan den ethiopischen kamerling, aan den heidenschen hoofdman Cornelius. Men zou, en terecht, mijn beroep van de hand kunnen wijzen met de opmerking, dat genoemd bijbelboek, als historische oorkonde beschouwd, nergens, en 't allerminst in zijn eerste hoofdstukken, een onvoorwaardelijk vertrouwen verdient. Intusschen kende de auteur van dat geschrift toch geen andere traditie, dan dat de doop reeds bij de allereerste christengemeente te Jeruzalem werd bediend.

Tot staving van mijn gevoelen dat de doop een apostolische instelling is, dat hij reeds zeer spoedig na den kruisdood van Jezus, door de apostelen ingevoerd is bij, en met goedkeuring van de eerste christengemeente te Jeruzalem, wensch ik uit te gaan van het onbetwistbaar feit, dat Paui.us na zijne bekeering den doop heeft ontvangen. Dit feit, waarvan ook in de Handd. sprake is, bevestigt Paulus zelf wanneer hij zegt, Rom, 6 : 3 : Of weet gij niet, dat zoovelen wij gedoopt zijn tot Jezus Chris-