is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1869, 01-01-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewonen hoogleeraar der kweekschool, kosteloos de lessen bijwonen van de professoren aan het Athenaeum Illustre der stad, gelijk mede die van het Eemonstransch gymnasium (Seminarium?) Ik herinner mij nog levendig, dat, voor de eerste maal op het collegie komende van den toenmaligen professor in de litteratuur, den beroemden T o 11 i u s , mijne aandacht bijzondei getroffen werd door het voorkomen van eenen jongeling, welken ongemeene schranderheid te gelijk met bevallige goedaardigheid uit de oogen straalde, schoon anders de kleinheid van zijne gestalte hem een zeker onnoozel en kinderlijk aanzien gaf, en hoe ik hem op de vragen van den professor hoorde antwoorden met die vaardigheid en uitvoerigheid, waarvan geen zijner medeleerlingen, zelfs niet de oudsten en meest geoefenden, hem op verre na konden evenaren. En wie was het? Pieter Nieuwland , dat schielijk opkomend wonderlicht onzer eeuw , maar te schielijk helaas, na een korten tijd in vollen glans aan den letterkundigen horizon zich vertoond te hebben, weder verdwenen."

Ik schrijf hier geen levensgeschiedenis van Hoekstra. Anders zou ik nog meer uittreksels uit het reeds meermalen aangehaalde geschrift laten volgen. Xn die dagen was het niets vreemds, om bij het houden van zulke gelegenheidspreken, van den kansel eene soort van zelfbiographie te leveren. En heeft dit thans voor ons gevoel iets stuitends, de toon, die in deze rede wordt aangeslagen, neemt dit aanstootelijke schier geheel weg. Zij ademt toch van 't begin tot het einde onmiskenbare nederigheid. Zoo heet het in den aanvang: //Mijne levensgeschiedenis bevat weinig of niets bijzonder merkwaardigs in zich.' Eu aan het einde lezen wij o. a. deze regelen , die op het duidelijkste doen

5