is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1869, 01-01-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willem. Ik ook niet; want het is zeker dat een van beiden mis had, zoo niet beiden.

Bertje. Ja, zoo iets, dunkt mij, is beneden hunne waardigheid.

Maar grootvader wijst hen te regt, door te zeggen : //gij oordeelt reeds vóór dat gij de zaak weet. En behalven dat past het weinig voor groote lieden, en nog minder voor kinders, zoo vrij en driest te oordeelen over het gedrag van deftige en heilige mannen. Hoort ten minste eerst eens waarover het geschil bijkwam."

Kinderen zijn meestal niet vrij van jaloersheid. En dit karakteristieke komt dan ook meermalen in den kring van Yroomaards kleine hoorders en hoorderessen aardig uit. Willem b. v. die Latijn leert, om predikant te worden, heeft een vraag hem door grootvader gedaan zoo goed beantwoord, dat hij van dezen een pluimpje krijgt; maar dat kan Keesje niet best velen, en daarom zegt hij iet of wat spijtig: //mij dunkt, Willem behoeft niet naar de akademie. Hij kan nu alpreeken"; waarover grootvader hem berispt, door hem ouder 'toog te brengen: «Dat is niet vrij van spijtigheid, Keesje ! Het mag u dan wat jaloers maken of niet; ik moet zeggen dat Willem de zaak kort en goed heeft voorgesteld."

Intusschen laat onze latinist het wel eens wat te veel blijken, dat hij iets meer weet dan de anderen, maar krijgt deswegens dan ook somwijlen over de vingers. Zoo o. a. als hij, bij 't in slaap vallen ook van de wijze maagden, anders niet onaardig aanmerkt: