is toegevoegd aan uw favorieten.

Doopsgezinde bijdragen, jrg 3, 1869, 01-01-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Brabant, wiens bloet seer diere Godt sal eischen van den boesen aert.

Tot den rade gheleydt sijnde Vraechden sij nae haar lieden gheloof Om dwelek te belijden elck pijnde Voor de Heeren blint ende doof, Cracht sij van boven ontfinghen En duer haren mont sprack Gods geest Sij en sochten niet te ontspringen Duer gheveynstheyt oft ander dinghen Maar sij spraken vrij onbevreest.

Tot u lieden verantwoorden Sijt ghij gestelt sprak de schout seer net Goy vaert sprak voor al die 't hoorden Mijns gheloofshalven, elck hierop let Dat heb ick vrijmoedich beleden Gheen ander ick kiesen en sal, Ick ben daar oock mede te vreden Al soudt ghij mij doen ontleden Ick blijv er bij sonder afval

Corts daernae wert haer ghelesen 't Mandement van dese Keysersraet Wat segt ghijlieden van desen Verstaet ghij 't wel dat hier in staet? Sprack den schout liooghe van moede Waerop dat antwoord gaf Goyvaert met seer koelenbloede Sprekende ghelijk de vroede Sachtmoedich ende niet straf.