is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We Sioe, in leven gehuwd met wijlen Sie Soan Nio en hij, daar deze beiden kinderloos overleden zijn, krachtens Chineeseh versterfrecht de eenige rechthebbende zoude zijn op hun beider nalatenschap; waaromtrent door eischeres aangevoerd wordt dat hij niet is de adoptief zoon van Tjie We Sioe en dat hij als zoodanig geen erfrechten kan uitoefenen op de nalatenschap van Sie Soan Nio, en dat, al ware dit beiden wel het geval, hij daaraan noch niet het recht van verzegelen zoude kunnen ontleenen omdat een Chinees krachtens gesustineerd erfrecht ab intestato geene verzegeling kan vorderen en bovendien die goederen, ofschoon vroeger behoord hebbende tot den boedel van wijlen Sie Soan Nio, echter ten gevolge van verdeeling tusschen de erfgenamen tot de boedels dezer erfgenamen zijn overgegaan;

dat uit deze uiteenzetting der dagvaarding dus blijkt dat de onrechtmatigheid der verzegeling niet gebaseerd is op de door appellant bedoelde gronden, maar hierop dat de geintimeerde is eigenares der verzegelde goederen en deze geen deel uitmaken van eenen boedel eener overledene, tot de nalatenschap waarvan gedaagde beweert erfgerechtigd te zijn;

. dat alzoo al hetgeen door appellant is aangevoerd ten betooge dat alleen belanghebbenden bij eene nalatenschap tegen eene verzegeling daarvan kunnen opkomen en dat de nalatenschap van eenen vreemden Oosterling wel kan verzegeld wordsn zoomede dat hij die beweert medeerfgenaam te zijn met hen die eene nalatenschap verdeeld hebben of die beweert alleen daarvan erfgenaam te zijn, mag doen verzegelen, verder buiten beschouwing kan gelaten worden;

O. dat tegen het tweede middel, waarop de eisch gebaseerd is, thans in appel de exceptie opgeworpen is: „haec actio non contra me";

O. dat geintimeerde hiertegen heeft aangevoerd dat deze voor het eerst in appel voorgesteld, geen verwering ten prin. cipale en dus gedekt is en dat zij bovendien ongegrond is;

dat de verwering wel ten principale is, omdat bij aanneming daarvan de geheele actie tegen den thans appellant, oorspronkelijk