is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat alsnu behoort te worden nagegaan of werkelijk geintimeerdes bezit van de verzegelde goederen rechtens vaststaat;

dat geintiineerde dit gesteld en het door appellant erkend is; dat appellant dit thans ontkent bewerende dat hij alleen zon erkend hebben dat geintiineerde in het bezit der nalatenschap van Sie Soau Nio is onder den titel van erfgename, welk bezit bij roerend goed niet als volkomen titel geldt in tegenstelling van bezit pro suo;

dat dit echter is onjuist; dat toch in de conclusie van antwoord in eersten aanleg door gedaagde beweerd is dat geintiineerde en andere personen zich de goederen der nalatenschap van Sie Soan Nio hebben toegeëigend en in appellants request dd. 25 Augustus 1885 aan den President van den raad van justitie te Semaraug gezegd wordt, dat geintiineerde al de goederen der nalatenschap in bezit genomen heeft, terwijl hij eindelijk bij conclusie van eisch incidenteel in eersten aanleg dd. 4 Maart 1886 aangeboden heeft te bewijzen dat geïntimeerde zich van de door wijlen Sie Soan Nio nagelaten goederen meester gemaakt heeft; in al hetwelk de erkenning ligt opgesloten van bezit pro suo en niet slechts pro herede;

dat echter, al eens aangenomen dat het bezit van geintimeerde niet vast zoude staan door de erkenning daarvan door appellant, het dan toch in elk geval bewezen is door het proces-verbaal van verzegeling, waarin uitdrukkelijk vermeld is, dat de verzegeling heeft plaats gehad in het huis door geintimeerde bewoond;

dat de erkenning van gedaagde van geintimeerdes bezit pro suo vaststaande, daardoor tevens vervalt appellants bewering dat geintimeerde door zich op die erkenning van appellant te beroepen het bezit pro herede in de plaats zoude geschoven hebben van het bezit als eigenaar en zij daardoor op ongeoorloofde wijze het onderwerp van den eisch zoude veranderd hebben, terwijl daardoor mede van zelve vervalt appellants stelling dat geintimeerde later nogmaals zoude beproefd hebben haar bezit als erfgenaam te doen voorkomen als eeu bezit als eigenaar, dat als volkomen titel geldt door op de door haar