is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den geadresseerde in eigendom toebehooren dan wel of de laatste ze voor een derde in ontvangst neemt, aangezien de overeenkomst alleen tusschen hem en den geadresseerde stilzwijgend is gesloten;

O. dat gelijke beslissing behoort te vallen omtrent de betwiste posten betreffende de 19 kisten ijzerwerken;

dat toch, hoezeer uit het briefje geschreven door gedaagdes geëmploijeerde, onderteekend Weijnschenk — Ernst, geen bewijs daarvoor te putten is daar gedaagde ontkend heeft dat dit briefje op zijn last is geschreven, dit bewijs voortvloeit uit het feit dat de gedaagde zonder protest de cognossementen dier kisten, hem aangeboden bij schrijven des eischers dd. 21 October 1884, waarvan de ontvangst niet is ontkend, heeft aangenomen en daardoor stilzwijgend jegens den gedaagde zich als de verbonden persoon heeft erkend;

O. dat de gedaagde geene bedenkingen heeft voorgebracht tegen de op de rekening vermelde sommen en deze den rechter ook niet bovenmatig hoog zijn voorgekomen;

O. dat uit het vorenstaande volgt dat de vordering volkomen is bewezen en mitsdien er geene termen bestaan den geintimeerde een suppletoiren eed op te dragen;

O. dat mitsdien het interlocutoir vonnis, waarvan appel, behoort te worden vernietigd en het Hof, daar de zaak in staat van wijzen is, haar ingevolge art. 351 alinea 2 Rechtsvordering bij een en hetzelfde eindarrest behoort af te doen;

O. dat de vordering voor zoover de geeischte som onbetaald is gebleven alsnog den eischer behoort te worden toegewezen met uitzondering van den gevraagden lijfsdwang, vermits eene overeenkomst betreffende handelingen waarvan hier de rede is, al is zij ook aangegaan met een landbouwondernemer, niet gerangschikt kan worden onder de contracten aangaande ondernemingen van landbouw, bedoeld bij art. 581 no. 4 van het reglement op de Burg. Rechtsv.;

Gelet enz.;

Rechtdoende in hooger beroep,

Vernietigt het door den raad van justitie te Semarang op 13