is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet dat de persoon, die de stukken heeft onderteekend, de persoon van W. de Groot is, m. a. w., niet ten doel heeft om te bewijzen dat de persoon, die die acte geteekend heeft identiek is aan den persoon van W. de Groot, maar niets anders dan dat een persoon, zich noemende W. de Groot, in dienst is getreden;

O. dat dus eerst dan valschheid in die engagementsacte zoude zijn gepleegd wanneer b. v. de daarin als plaats gehad hebbend vermelde indiensttreding van zekeren zich noemenden W. de Groot feitelijk niet had plaats gehad, en het tegendeel . . * juist in casu vaststaat;

O. dat voorts ook het tweede vereischte, van reeds toegebracht of mogelijk nadeel, in casu niet aanwezig is, daar beklaagde de diensten, welke hij door het aangaan van zijn verband op zich genomen heeft te verrichten, zoowel onder den aangenomen naam van de Groot als onder zijn werkelijken naam van Jhr. W. A. P. P. L. de Serière presteeren kan en moet;

O. dat derhalve beklaagde zich door het bewezen feit niet heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf van valschheid in authentiek geschrift;

O. dat hieruit van zelf volgt, dat beklaagde zich ook niet schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van: „het desbewust gebruik maken van valsclie authentieke geschriften", voor zoover betreft het aanwenden van de door hem met den naam van W. de Groot geteekende engagementsacte;

O. dat wat betreft de vraag of beklaagde door gebruik te maken van de papieren van W. de Groot om als W. de Groot te kunnen worden aangenomen, zich niet heeft schuldig gemaakt aan evengemeld misdrijf, deze vraag ook ia ontkennenden zin moet worden beantwoord aangezien hij zich eerst dan daaraan zoude hebben schuldig gemaakt indien bewezen ware dat de geboorte acte en andere door hem om in dienst te komen gebruikte op naam van W. de Groot staande bescheiden, intrensiek valsch waren, hetgeen echter uit het gehouden onderzoek niet is gebleken;

O. dat voorts de vraag of beklaagde zich door het gepleegde feit aan het misdrijf van „oplichting" heeft schuldig gemaakt eveneens in ontkennenden zin moet worden beantwoord;