is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een maand nadat de debiteur in gebreice zal zijn gesteld, ten publieken verkoop te annonceeren, zijn niet bevrijd wanneer de debiteur, die niet betaald heeft, niet in gebreke gesteld is door den crediteur.

In eersten aanleg alleen gelitiscontesteerd zijnde over het voortbestaan der borgtocht, dan is de voor het eerst in hooger beroep geopperde stelling dat er tusschen de procedeerende partijen geen rechtsband bestaat, een nieuw rechtsmiddel.

De Wees en Boedelkamer te Soerabaja qq. de erfgenamen van wijlen Xho Kong Kie, appellante, comp. bij den adv. en proc. Mr. C. A. ïïennij, contra

The Boen Hie, geintimeerde, comp. bij den adv. en proc. Mr. F, H, Gerritzen.

HET HOOG-GERECHTSHOE VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der daadzaken overnemende het exposé daarvan vervat in het op 14 Juli 1886 door den raad van justitie te Soerabaja tusschen Kho Kong Kie als eisclier en The Boen Hie als gedaagde gewezen vonnis, waarbij, met verwerping van de door den gedaagde voorgestelde exceptie van niet ontvankelijkheid, de eisclier is verklaard kwaad opposant tegen het in het vonnis vermelde executoriaal beslag en den verkoop der daarbij in beslag genomen onroerende goederen met last dat met den verkoop zal worden voortgegaan en de eisclier in de kosten is veroordeeld;

En wijders:

O. dat de "Wees- en Boedelkamer te Soerabaja in hare hoedanigheid van voogdesse over de minderjarige kinderen en eenige erfgenamen van den op 24 Mei 1886 te Pasoeroean overleden eisclier, van dit vonnis in hooger beroep gekomen is doch alleen voor zoover daarbij aan den eischer zijn eiscli ontzegd en hij in de kosten is verwezen en bij conclusie van eisch in appel daartegen heeft aangevoerd: