is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HOOG-GERECHTSHOF VAN NEDERLANDSCH-INDIE,

Gelezen de beschikking van den raad van justitie te Soerabaja dd. 1 December 1886, waarbij het door de Weeskamer aldaar als toeziende voogdes over de minderjarigen Jacob Andries, Charlotte Jacoba Emelie en Pauline Augustine Bruins gedaan verzoek, om aan de moeder voogdes van genoemde minderjarigen (de weduwe Ch. W. Bruins, geboren Ponder) het beheer over het vermogen van die kinderen te ontnemen — vooralsnog van de hand is gewezen;

Gelet op de aanteekening van 's Hofs griffier, waaruit blijkt dat de advocaat en procureur bij den Hove Mr. C. A. Ilennij, ten deze ageerende voor en namens de Weeskamer te Soerabaja in bovenomschreven qualiteit, op den 24sten Februari 1887 van evengemelde dispositie in cassatie is gekomen, zoomede op de ingediende aan de wederpartij beteekende memorie van cassatie;

Nog gelezen de schriftelijke conclusie namens den procureur generaal genomen door den advocaat generaal Mr. A. L. Clignett en gedagteekend 13 Juni 1887, strekkende tot vernietiging der dispositie a quo en toewijzing van het daarbij bedoeld verzoek;

Gezien de stukken, waaronder een rekest dd. Pamekasan 9 Maart 1887, van de weduwe Ch. W. Bruins, geb. Ponder, houdende naar aanleiding van den eisch in cassatie, verzoek om de bovenomschreven dispositie van den raad van justitie te Soerabaja te bekrachtigen;

O. dat als eenig middel van cassatie is aangevoerd, schending, immers verkeerde toepassing van artt. 335, 336 en 3SS van het Burgerlijk Wetboek, door te beslissen dat zoolang de toebedeeling van het vermogen aan de minderjarigen noch niet heeft plaats gehad, het beheer over dat vermogen aan de voogdes, bij gebreke van het stellen van zekerheid, niet kan worden ontnomen;

O. dat de gewraakte dispositie, zooals door den requirant is gesteld, alleen steunt op het motief dat, vermits blijkens het