is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mr. P. Maclaine Pont is aangevoerd en op de door hem overgelegde memorie van pleidooi;

Gehoord de voorlezing der verklaringen van de in eersten aanleg gehoorde getuigen;

Mede gehoord den Procureur-Generaal bij monde van den Advocaat-Generaal Mr. J. P. Phitzinger in zijn ter terechtzitting overgelegd requisitoir, daartoe strekkende, dat het Hof, met ontvangst van het appel, het vonnis waarvan appel zal vernietigen en doende wat de raad van justitie had behooren te doen, den beklaagde alsnog zal schuldig verklaren aan overtreding van art. 27 la. ƒ van het Reglement A. der ordonnantie op de heffing en verzekering der In- en Uitvoerrechten en Accijnsen (Staatsblad 1882 no. 240) door onjuiste opgave der waarde en der soort van ten verbruik in te voeren goederen en hem overzulks zal veroordeelen tot betaling eener geldboete van ƒ 1556.10 alsmede in de kosten der beide instantiën, met bepaling dat de beklaagde ingeval van wanbetaling dier boete in gijzeling zal kunnen worden gehouden naar den maatstaf van eene maand voor elke verschuldigde ƒ 200 met last tot teruggave der tot stukken van overtuiging gediend hebbende voorwerpen aan de daarop rechthebbenden;

Gehoord de debatten ter openbare terechtzitting;

Gezien de stukken;

O. dat bij vonnis van den raad van justitie te Semarang dd. 19 Maart 1887, waaraan wat de uiteenzetting der feiten aangaat wordt gerefereerd, de geappelleerde is vrijgesproken van de hem ten laste gelegde overtreding, van welk vonnis de officier van justitie bij dien Raad op last van den Procureur-Generaal in hooger beroep is gekomen;

O. dat volgens de in rechten overgelegde bescheiden aan den geappelleerde is ten laste gelegd eene overtreding van art. 27 lett. f van het Reglement A. behoorende bij de ordonnantie van 1 October 1882 opgenomen in Staatsblad 1882 no. 240 en strafbaar gesteld bij art. 25 ten 4de van bovengenoemde ordonnantie en wel op grond, dat door een zijner bedienden, den boomklerk Clareubach, ten kantore van den Ontvanger der Inen Uitvoerrechten te Semarang op 12 Juni 1886, eene onjuiste