is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der schepen ingevolge de Koninklijke besluiten van den 20 Juni 1870 en den 12 October 1872, van de door de Regeering van Nederlandsch-Indië zelve later bij soortgelijke aanbestedingen van levensmiddelen te Atjeh en te Penang gemaakte ramingen van het waarschijnlijk benoodi/de, en van de juist in 1873 en 1874 aanzienlijke verstrekkingen; dat appellanten daarbij tevens hebben bestreden hetgeen in prima door de geint. en in de overwegingen van het arrest a qwo hiertegen was aangevoerd, en hebben doen uitkomen dat, mocht ook de gestelde winstderving niet genoeg zijn bewezen, er, na hetgeen uit het verhoor der geint. op vraagpunten is gebleken, voor den rechter alle aanleiding bestaat om, des noodig na voorlichting van deskundigen, die winstderving alsnog te waardeeren en te bepalen;

dat de geint., incidenteel appellante, daartegen heeft beweerd dat zij met haar gedaan aanbod, immers zooals het nu is verhoogd, alleszins kon volstaan, het Hof ten onrechte een hooger bedrag van schade had toegewezen, en in ieder geval de proceskosten ten onrechte had gecompenseerd;

dat toch wat de door verlies geleden schade betreft, de zeven in de 7e overweging in rechten van het arrest omschreven, als zoodanig in rekening gebrachte posten niet hadden behooren te zijn goedgedaan, omdat, al waren die betaald, er, met het oog op de beperkte strekking der overeenkomst van Mei 1873, voor den aannemer geen aanleiding bestond om zoo belangrijke contracten van levering of bevrachting aan te gaan als daaraan ten grond liggen, en dat van de voor winstderving door geint. aangeboden som van ƒ 9053.87 5 , te verminderen met f 5880.60, dit laatste ten onrechte niet was afgetrokken, ofschoon de artikelen waarop dit cijfer betrekking heeft, tegen hooger prijs dan bij contract was bedongen, waren betaald en van Angelbeek daardoor werkelijk in zoover was bevoordeeld geworden; dat geint. voorts de door het Hof aan de overeenkomst van Mei 1873 gegeven uitlegging als onjuist heeft bestreden, en met wederlegging van de grieven der appellanten betoogd dat er geene termen kunnen zijn om aan de appellanten voor winstderving meer toe te leggen dan het door geint. erkende bedrag,