is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat wel is waar de gedaagde stelt, dat de inhouding van het gereclameerde gedeelte van 'dat pensioen, dat is de niet betaling daarvan, geschied is krachtens een besluit tot korting van den Directeur -van Finantien ter aanzuivering eener schuld van eischer aan den Lande en dat dit is een administratieve maatregel binnen den kring der bevoegdheid van dien hoofdambtenaar gelegen, doch dat gedaagde daardoor, ofschoon hare schuldplichtigheid erkennende, slechts beroep doet op een middel van bevrijding en deze verwering niet in den weg kan staan aan de competentie des rechters om te beoordeeleu of de gedaagde al dan niet verplicht is de gevorderde som te betalen; dat het hier toch niet geldt de vraag of al dan niet aan eischer pensioen competeert, maar alleen of de gedaagde verplicht is een reeds toegekend, doch niet uitbetaald pensioen te betalen;

O. dat op deze gronden de voorgestelde exceptie van onbevoegdheid moet worden verworpen;

O. ten opzichte van de beweerde niet ontvankelijkheid der ingestelde vordering, daarop gegrond dat geëischt wordt de uitbetaling van pensioen in weerwil van eene door de administratieve autoriteit xlaarop gelegde korting en de vordering du3 niet voor toewijzing vatbaar is zoolang die korting niet door eene administratieve autoriteit opgeheven is, omdat zoolang zij formeel blijft bestaan, de uitbetaling van het pensioen niet kan plaats hebben;

dat de schuldplichtigheid van de gedaagde m. a. w. het recht op pensioen van den eischer vaststaande, het met het oog op de verwering der gedaagde juist de vraag is of de door de administratie opgelegde korting voor de gedaagde bevrijdend is ter zake van de gevorderde betaling; dat, wanneer de toewijzing dier vordering ten gevolge mocht hebben dat daardoor strijd ontstaat met die formeele beslissing tot korting, dan voor eene goede administratie wellicht de intrekking van dat besluit door de daartoe bevoegde autoriteit noodig kan zijn, doch dit den rechter niet kan beletten om uitspraak te doen zooals hij vermeent te behooren, daar het hier geldt de beoordeeling of de gevoerde verwering opgaat, hetgeen afhankelijk is van de vraag of de administratieve autoriteit bevoegd was de korting te gelasten,'daar