is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O., dat dientengevolge het bij conclusie van eisch incidenteel subsidiair gestelde en bij pleidooi aldus gewijzigde feit: „dat zij, appellante, in Januari 1886 met den tweeden appellant gehuwd is", geacht moet worden niet ter zake dienende en afdoende te zijn;

Lettende enz.;

Rechtdoende in hooger beroep,

Passeert het aanbod om het bij conclusie van eisch incidenteel subsidiair gestelde en bij pleidooi nader gewijzigde teit door getuigen te bewijzen;

Doet te niet het appel;

Bevestigt het tusschen partijen door den raad van justitie te Batavia gewezen vonnis van den 26sten November 1886, voor zooveel daarvan is geappelleerd; en

Veroordeelt de appellanten in de kosten van het hooger beroep.

Zitting van 13 October 1887.

Voorzitter: als voren.

Art. 720 en 723 B. W. — Erfpaciitsrecht. —- Canon. — Zakelijke voedering. — Lijfsdwang. — Onsplitsbaarueid.

De toestemming in het verzoek tot het verleenen van erfpachtsrecht is slechts eene voorbereidende handeling tot vestiging van dat recht.

De actie tot betaling van den canon, als gegrond op een zakelijk recht, is eene zakelijke rechtsvordering.

De gesamenlijke erfpachters zijn aansprakelijk voor de betaling van den geheelen canon, die onsplitsbaar is.

De ltegeering van N. I., appellante en incidenteel geïntimeerde, comp. bij den landsadvocaat Mr. C. A. Hennij, contra

lo. F. W. Davidsz, geïntimeerde en incidenteel appellant,

comp. bij den adv. en proc. Mr. J. R. Yonte, en 2o. Han Kong Sing, geintimeerde, comp. bij den adv. en proc. Mr. R. Tj. Mees.

XLIX. 23