is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet de vraag is hoe de toestand zoude zijn in geval eene andere actie ingesteld ware, maar slechts hoe die in dit geding is, waarvan de ontvankelijkheid door de appellanten niet betwist is;

O. dat door appellanten in het geding gebracht zijn drie rekeningen, aantoonende dat het land Karali over 1883 en 1884 telkens een nadeelig saldo heeft opgeleverd, doch dat deze eenzijdige van appellanten zelve afkomstige stukken tegenover geintimeerde geen bewijs kunnen opleveren en namens appellanten dan ook bij pleidooi is erkend dat de. overlegging dier rekeningen niet is geschied om daarmede eenig bewijs te leveren omdat zij in dit geding tot geenerlei bewijs zouden gehouden zijn;

O. dat op grond van het voorafgaande het vonnis a quo behoort te worden bekrachtigd;

Gelet enz.;

Eechtdoende in hooger beroep,

Doet te niet het appel;

Bekrachtigt het op 10 November 1886 door den raad van justitie te Soerabaja tusschen partijen gewezen vonnis, waarvan appel, voor zoover daarvan is geappelleerd;

"Veroordeelt de appellanten in de kosten op het hooger beroep gevallen.

CASSATIE.

Raadkamer van 23 Augustus 1887. Voorzitter: Mr. J. Sibenius Trip.

Art. 339 B. 1F. voorziet slechts in het geval dat de voogd met den minderjarige uit N. I. vertrekt, niet dat hij buiten N. I. zijnde voogd geworden is.

De bevoegdheid om te oordeelen over een verzoek tot teruggave aan den voogd van het liem ontnomen beheer over de goederen zijner pupillen en dit aan de Weeskamer te ontnemen is bij den dagelijkschen rechter van de Weeskamer.