is toegevoegd aan uw favorieten.

Het regt in Nederlandsch-Indië; regtskundig tijdschrift, 1887, 01-01-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SOsten Maart 1887 ter griffie van voornoemden landraad verklaard heeft zich tegen voorschreven vonnis in cassatie te willen voorzien;

zijnde hiervan aan den gerequireerde kennis gegeven bij deurwaarders exploit van den 7den Mei d. a. v.;

Gelezen de schriftelijke conclusie namens den procureur-generaal genomen door den advocaat-generaal Mr. J. F. Thitzinger en gedagteekend 24 Juli 1887, daartoe strekkende dat het Hof, met vernietiging van het vonnis a quo, de zaak naar den eersten rechter zal terugwijzen, ten einde haar met inachtneming van 's Ilofs te wijzen arrest, ten principale verder te behandelen en te beslissen, met veroordeeling van den gerequireerde in de kosten in cassatie gevallen;

Gezien de stukken, waaronder eene namens den requirant door Mr. J. J. Smits, advocaat en procureur bij den raad van justitie te Padang ingediende en aan de wederpartij beteekende memorie van cassatie, zijnde door laatstgenoemde geene contramemorie ingeleverd;

O. dat onderwerpelijk de cassatie binnen den daartoe bij de de wet gestelden termijn is aangeteekend en de verder deswege voorgeschreven formaliteiten behoorlijk zijn in acht genomen, welk laatste mede ten opzichte van de ingediende memorie geldende is;

O. wijders dat als middel van cassatie is voorgesteld schending of verkeerde toepassing van art. 79 van het Keglement tot regeling van het rechtswezen in het Gouvernement Sumatra's Westkust, en van de artt. 1792—1819 van het Burgerlijk Wetboek juncto art. 75 alinea ultima van het Regeerings-Reglement, ^doordien de landraad den eischer met zijne vordering niet ontvankelijk heeft verklaard omdat volgens gemeld art. 79 alleen de eischer en niet ook diens gemachtigde bevoegd zou zijn eene vordering bij mondelinge voordracht aanhangig te maken;

O. dienaangaande, dat bij art. 78 van het reglement tot regeling van het rechtswezen in het Gouvernement Sumatra's Westkust is bepaald, dat burgerlijke vorderingen in eersten aanleg behoorende tot de bevoegdheid der inlandsche rechtbanken